Hoofdstuk 4 – Inleiding
De ochtend van vrijdag 10 november 1944 begon in Rotterdam-Zuid als geen andere.
Hoewel het al het vierde oorlogsjaar was en angst, spanning en onzekerheid inmiddels deel uitmaakten van het dagelijks leven, hing er die ochtend iets in de lucht dat niemand kon plaatsen. De straten waren stiller dan normaal, maar tegelijkertijd was er een vreemde, onheilspellende drukte gaande.
In en rond Vreewijk, Feijenoord en Hillesluis liepen groepen zwaarbewapende Duitse soldaten haastig heen en weer. De bewoners wisten niet wat er zou gebeuren, maar iedereen voelde instinctief dat dit geen gewone controle was.
Wat zich die dag en de dag erna zou ontvouwen, werd de grootste mannenrazzia uit de Nederlandse geschiedenis. In iets meer dan een etmaal werden ruim 52.000 mannen weggevoerd — vaders, zonen, broers, buren.
Voor duizenden gezinnen brak een periode aan van onthutsende onzekerheid, een stilte die zwaarder werd naarmate de dagen verstreken.
Dit hoofdstuk vertelt hoe het die ochtend thuis in Rotterdam-Zuid begon.
Hoe angst en verwarring de overhand namen.
Hoe deuren werden ingetrapt, gezinnen werden verscheurd en levens voorgoed een andere richting kregen.
En hoe één van die mannen — mijn vader, Hendrik Willem Gaertman — uit ons huis werd gehaald.
Wat toen begon, zou eindigen in een mensonterende nachtmerrie, waarvan hij nooit is teruggekeerd.
Onderdeel 4.1 – De arrestatie thuis
Het was vroeg in de ochtend toen we werden opgeschrikt door een ongewoon soort drukte in onze buurt.
Ondanks de angstige momenten die we in de voorafgaande oorlogsjaren al hadden meegemaakt, voelde deze ochtend anders, dreigender.
Overal zagen we zwaarbewapende Duitse soldaten die haastig heen en weer liepen, alsof er een operatie gaande was waarvan niemand in de straat het doel kende.
Mijn vader stond die ochtend niet buiten voor ons huis, omdat hij beschikte over een vrijwaringsbewijs. Hij had geen reden om te denken dat hij gevaar liep. Maar dat bleek een illusie.
Plotseling stormden vier mannen ons huis aan de Groene Zoom 79 binnen: twee Duitse soldaten, met de bajonet op het geweer, één NSB’er, en een Amsterdamse bokskampioen die zich uitgaf als "Kanero".
In het bijzijn van mijn moeder en ons, zijn kinderen, vielen er rake klappen. De woede en willekeur waarmee ze tekeergingen waren angstaanjagend. Wij konden niets anders doen dan machteloos toekijken.
Toen mijn vader werd meegenomen, mocht hij ons nog één vluchtig kusje geven.
Dat was het laatste moment dat wij hem in levende lijve zagen.
Hij werd met harde hand weggevoerd, zonder uitleg, zonder tijd om iets mee te nemen, zonder de zekerheid dat hij ooit weer thuis zou komen.
Wat we later nog van hem ontvingen, waren een postkaart en een brief — zijn laatste tekenen van leven.
Onderdeel 4.2 – De Gang naar Buiten en de Afschuwelijke Aanhouding
Nadat mijn vader hardhandig was vastgegrepen door de vier mannen die ons huis waren binnengedrongen — de twee Duitse soldaten met de bajonet op het geweer, de NSB’er en de Amsterdamse bokskampioen die zich uitgaf als “Kanero” — werd hem nauwelijks de tijd gegund om afscheid te nemen. Mijn moeder, die hevig geëmotioneerd was, kon niets anders doen dan machteloos toekijken. Ook wij, zijn kinderen, stonden verstijfd van angst in de woonkamer.
De Duitse soldaten schreeuwden bevelen, en er vielen opnieuw rake klappen. Het lawaai, het gedreun van laarzen op de houten vloer en de agressieve toon van de mannen zijn geluiden die voor altijd in mijn geheugen gegrift staan. Toch wist mijn vader, in die paar seconden die hij nog kreeg, ons ieder een vluchtig kusje te geven. Het was haastig, opgejaagd — maar het was zijn laatste gebaar van liefde voordat hij werd weggevoerd.
Vervolgens werd hij onder bedreiging naar buiten geduwd. De deur sloeg achter hen dicht. Het moment dat hij de drempel overstapte, was — zonder dat wij dat toen wisten — het laatste moment waarop wij hem in levende lijve zagen. Mijn moeder bleef in de deuropening staan, haar handen trillend om de deurpost geklemd.
Buiten heerste chaos. In de straten van Vreewijk liepen zwaarbewapende Duitse soldaten heen en weer. Auto’s reden af en aan, en op de hoeken van de straten stonden extra eenheden opgesteld. Het was een onwerkelijke situatie: de oorlog was al vier jaar bezig, maar dit hadden we nog nooit meegemaakt. Het was alsof de tijd even stil stond, en tegelijk alles veel te snel ging.
Hoewel wij toen nog niet wisten waar hij naartoe werd gebracht, zagen we hoe hij — tussen andere opgepakte mannen uit de buurt — in de richting van De Kuip werd afgevoerd. Het was een beeld dat diepe sporen achterliet, niet alleen door de angst, maar ook door de onmacht: je eigen vader meegenomen zien worden, zonder te weten wat hem te wachten stond.