Hoofdstuk 4 – Vrijdag 10 november 1944: de Razzia

 

4.0 Inleiding – Een stad in de greep

 

Het oorlogsmonster had ook Rotterdam stevig in zijn greep.
Op dinsdag 5 september 1944 – Dolle Dinsdag – ging het gerucht dat wij spoedig van onze onderdrukkers, “de Moffen”, verlost zouden zijn.

 

Als kind, opgroeiend in Tuindorp Vreewijk in Rotterdam-Zuid, ging ik samen met mijn vriendjes naar de luchtbrug naast de Kruisvindingkerk, in de hoop daar de binnenkomst van de geallieerden te kunnen verwelkomen. In onze kinderlijk opwinding schreven wij op een stukje papier zelfs de kentekens op van auto’s die voorbijreden.

 

De ontnuchtering liet echter niet lang op zich wachten. Al snel werd duidelijk dat de pogingen van de geallieerden om Rotterdam te bereiken waren mislukt. De teleurstelling was groot. Wij zaten voorlopig nog vast aan onze bezetters en het leven onder de Duitse overheersing ging onverminderd door.

 

Slechts enkele weken later, op vrijdag 10 november 1944, werd Rotterdam overvallen door wat zou uitgroeien tot de grootste mannenrazzia uit de Nederlandse – en zelfs Europese – geschiedenis. In alle vroegte verschenen goed bewapende Duitse soldaten in de straten. Briefjes, opgesteld als bevel, werden in de brievenbussen gestopt of persoonlijk overhandigd zodra er werd opengedaan.

 

In dat bevel stond dat alle mannen tussen de 17 en 40 jaar zich, voorzien van voldoende kleding en proviand, moesten melden voor de Wehrmacht. Volgens het pamflet zou het om een periode van slechts drie weken gaan. Men beloofde dagelijks goede voeding, rookartikelen en een vergoeding van vijf gulden. Wie geen gehoor gaf aan deze oproep, liep het risico zwaar te worden gestraft. Zelfs particulier eigendom kon in dat geval in beslag worden genomen.

 

De massale aanwezigheid van zwaarbewapende Duitse militairen en de meedogenloze vastberadenheid waarmee deze razzia werd uitgevoerd, lieten weinig ruimte voor twijfel. In talloze Rotterdamse gezinnen sloeg de onzekerheid toe. Wat deze dag werkelijk zou betekenen, wist niemand – maar dat er iets onomkeerbaars stond te gebeuren, voelde iedereen.

 

 

 

Hoofdstuk 4 – De Razzia, Deportatie en Getuigenissen

Inleiding

 

Dit hoofdstuk beschrijft de gebeurtenissen rondom de razzia van 10 en 11 november 1944 in Rotterdam en Schiedam, de daaropvolgende deportatie naar Amsterdam en Kampen, en de eerste dagen in gevangenschap. De verhalen worden ondersteund met getuigenissen van onder anderen  de heer M.A. ( Rinus ) Zuijdweg en Henk Nuis en Hendricus Bender en Hendrik  Willem Gaertman.

Na mijn oproep in de Oud Rotterdammer in 2009 reageerde Henk Bender Jr en stuurde hij mij het dagboek van zijn vader.                         Dit dagboekje is tevoorschijn gekomen in augustus 1996, bij het uitruimen van het huis aan de Oldengaarde 112b in Rotterdam, tijdens de verhuizing van mijn stiefmoeder.

Het boekje zat - in een bruine enveloppe van Scheepswerf Piet Smit - achter een klein kastje aan de muur , en viel op de grond toen het kastje van de muur werd los geschroefd. Van het bestaan van dit dagboekje was, niemand op de hoogte. Waarschijnlijk zal mijn moeder - Alida Meijer -  het, na terugkeer van mijn vader uit Duitsland , wel gelezen hebben.

 

Uit de zeer schaarse verhalen die mijn vader weleens over die periode in Duitsland vertelde, kwamen een paar fragmenten uit dit boekje mij bekend voor, doch het overgrote deel was voor hem totaal nieuw. De eerlijkheid gebied mij ook te zeggen , dat ik door dit boekje mijn vader op een andere manier ben gaan zien. De vader die in dit boekje naar voren komt ken ik niet. Maar ik zou willen dat dit boekje veel eerder tevoorschijn was gekomen. Het geeft een beeld van de omstandigheden waarin hij in Duitsland verkeerde, hoe hij dacht , waaraan hij dacht en wat hem dagelijks bezighield. Maar wat hij  -  zoals velen  - werkelijk heeft meegemaakt zal altijd onbekend blijven.                                               

Rotterdam , november 1996 Henk Bender.

 

 

 

 

 

 

 

Dagboek van Hendricus Bender ( 22 juli 1920 - 8 maart 1985 ) 

Citaat

Vrijdag 10 novenber 1944 

8u30 van huis gehaald en naar het oude Feyenoord terrein gebracht. Om ongeveer twaalf uur worden we geteld en dan gaat het naar de Stieltjeskade. Als we langs de Putsche Bocht komen zie ik Tante Jans, Opoe en Oom Rinus voor het raam staan. Nog even zwaaien. Aan de Stieltjeskade liggen de lichters nog waar we het verleden week nog over hadden. Daar worden we om drie uur ingeladen. Het is er niet zo aangenaam. De wanden en vloer zitten vol kolengruis. Er zitten of staan ongeveer 100 man in dit ruim. Ik heb precies een plaatsje waar ik mijn voeten neer kan zetten. Om half elf komt er een sleepboot voor en vertrekken we. Waarheen ? Er is een luik van het dek af. Daar zie ik de sterren door voorbijschuiven.

 

Zaterdag 11 november 1944

We varen nog steeds.Het is een pracht van een nacht geweest. Ik kon niet liggen of zitten. Dus heb ik maar van den ene voet op de andere gehangen. De bewaking liep maar over dek en wanneer er teveel boven kwamen werd er geschoten. Schutten in de sluis bij Vreeswijk.    We passeren Utrecht in de verte. Mijn brood heb ik gisteren gedeeld met twee jongens die zo van de straat opgepikt waren en helemaal niets bij zich hadden. Het is 12 uur nacht. We worden in Amsterdam uitgeladen en in grote houtloodsen gebracht. Daar staan op verschillende plaatsen mitrailleurs opgesteld. Er ligt ook stro. Om 2 uur wordt er warm eten uitgedeeld. Aardappelen met rode kool.       Dat gaat er best in. Slapen  kan ik hier wel in heet stro. Er stapt zo nu en dan wel eens iemand op me maar zo nauw neem ik het niet.

 

Zondag 12 november 1944

Blijven in loods tot 1 uur. We worden bewaakt als gevangenen. Dat zijn we eigenlijk ook. Om half twee krijgen we weer eten, soep met brood. Daarna worden we weer in de schuit geladen. Het is nu beter. We krijgen nu stro in de schuit.                                                           Als er een pak stro naar beneden komt  sneuvelt mijn bril. We blijven hier nog om nog tot donker liggen en dan vertrekken we om 6 uur door de sluizen naar het IJsselmeer. We varen weer door de nacht. De organisatie van deze deportatie is af.Iemand heeft zijn been gebroken bij het inladen. Een dokter is er niet. Er zijn ook b.v. maagpatiënten die niet buiten hun geneesmiddelen kunnen.

 

Maandag 13 november 1944

We komen om half twaalf in Kampen aan. Wat zal hier weer met ons gebeuren. De voorste schepen worden uitgeladen en die lui krijgen brood en koffie. Tegen drie uur gaan wij aan wal. D.w.z. er komen een zoodje S.S. soldaten van een jaar of zestien aan boord en slaan  ieder die aan dek komt met de kolf van het geweer en ploertendoder den wal op. Er zat bij ons in het ruim een jood. Die wordt  er op de  wal uitgepikt en door een officier doodgeschoten plus en het water ingetrapt. Kultuur. Het brood en de koffie is op. Als er weer nieuw komt schieten we met plus minus 80 man over.

We worden in de stal van de Van Heutsz kazerne geborgen. Met de ruimte is het nog slechter als de eerste nacht in de schuit.                  Bij het binnenkomen heeft een van de S.S. me een flinke schop willen geven. Dat lukte niet omdat ik te hard liep. Maar wel schopte hij mijn bord kapot wat ik in mijn tas heb. Wanneer ik kans had, had ik dat jong graag met mijn handen open gepeuterd. Er wordt weer eten uitgedeeld maar daar grijp ik weer naast. Het wordt hier een vreselijke nacht. In een hoek is ruimte gemaakt, daar liggen er een paar te sterven. Zo nu en dan krijgt iemand een zenuwtoeval. Het geschreeuw en gekermis zo nu en dan net als ik het me van een sslagveld  voorgesteld had. Om 10 uur is er warm eten gekomen. De mensen die vandaag nog niets gehad hebben zitten allemaal apart. Als de ketel met eten daarbij komen, is het net op. Dus ik grijp er weer naast.

 

Dinsdag 14 november 1944

Morgen half negen. We worden wee de schuit ingeladen of ingeslagen. Daar wennen we ook al aan. We zitten verder  elkander maar een beetje aan te kijken. Tegen drie uur komt de bevolking van Kampen naar de kade met brood en pannen eten. Ze worden telkens weggeschoten maar ze houden toch vol. Wat die mensen daar gedaan hebben vergeet ik nooit weer. 's avonds hebben we voor het ruim van 80 man , 50 sigaren , 42 broden , 1 halve kaas , 4 doosjes lucifers, 74 appelen , 24 sneden brood, 28 pakjes shag. Dit wordt alles bij kaarslicht verdeeld.

 

Woensdag 15 november 1944

Om 6 uur in de morgen  worden e weer naar den wal gejaagd of liever gezegd geslagen. Dat doen ze graag. We worden op de wal in de rij gezet en marcheren om 8 uur naar het station. Daar staan personentreinen klaar waar we in moeten stappen. Er wordt  zelfs gecontroleerd  of we allen een zitplaats hebben. Dat zal wel een lange reis worden. Als alles zit gaan we rijden. Richting grens.                 Ik heb gezegd toen ik van huis ging : Dat is voor den duur van de oorlog , maar nu geloof ik het vast. Tegen de middag stoppen we in Heino en krijgen daar brood, koffie  en appelen van de bevolking, Als alles gegeten heeft gaat het weer verder. Tegen het donker komen we in Borne. Daar stoppen we weer. Het is plus minus 5 uur. De bevolking pakt brieven aan welke ze voor ons zullen posten. Hier gooi ik ook nog een briefje met mijn adres uit den trein. Wij twijfelen nu niet meer aan het doel van de reis. Tegen het donker rijden we weer.  We hebben vreselijke dorsten geen druppel water meer. Om kwart voor twaalf  komen we in Bentheim. Hier krijgen we water. Precies middernacht vertrekken we weer. We weten nu zeker dat we de grens over gaan. We piekeren er allemaal over hoe het thuis gesteld zal zijn. We passeren Löhne en later Osnabrûck. 

 

Einde citaat Henk Bender

 

Rotterdam Razzia 10 november 1944 uit het dagboek van de heer M.A.Zuijdweg

Citaat van de heer M.A. ( Rinus ) Zuijdweg

Het was op vrijdagmorgen van 10 november 1944 dat we vroeg werden opgeschrikt door een enorm ongewoone drukte in de Rozemarijnstraat (Bloemhof, Rotterdam Zuid) waar ik toen woonde. Het was weliswaar het vierde oorlogsjaar en hadden al heel wat angstige momenten mee gemaakt, maar waren toch niet gewend dat er in onze buurt zoveel zwaar bewapende Duitse soldaten driftig heen en weer liepen. Op het kruispunt met de Balsijnestraat stond zelfs zwaar schiettuig opgesteld. Tevens bleek er in iedere brievenbus van de hoofdzakelijk uit arbeiders woningen bestaande wijk een Bevel te zijn gestopt. Daarin stond dat alle mannen van 17 tot 40 jaar met voldoende kleding en proviand zich op de hoek van de straat bij de soldaten voor werk voor de Weermacht moesten melden. Het zou, vermeldde het pamflet, maar 3 weken duren en zouden goede kost, rookartikelen en vijf gulden per dag krijgen.

 

Zij die niet aan de oproep gehoor zouden geven liepen bij ontdekking het gevaar gestraft te worden en particulier eigendom zou worden aangesproken. Nu waren we van de bezetter wel wat geweld en bluf gewend. Maar gezien de overmacht en verbetenheid waarbij deze actie gepaard ging, sloeg de onzekerheid bij velen onweerleg toe. Met bajonet op de geweren bewapende soldaten belden aan, trapten als zij dat nodig vonden de deuren open en deden huiszoeking. Een groot aantal mannen die eigenlijk geen gehoor wilde geven aan de oproep, gingen uit angst dat hun familieleden wat zo overkomen, zich na zoveel dreiging, schoorvoetend toch maar melden bij de soldaten. Een karig bundeltje kleding en voedselt in de mendenennd.

 

Mijn vader was boven de veertig, dus hoefde zich niet te melden. Maar ik was 1 maand voor deze wat achtraaf’bleek, een grote razzia te zijn, 17 jaar geworden. Dus ik viel net binnen de leeftijdsgrens en moest mij eigenlijk melden. Mijn moeder nam toen het spontane besluit dat ik niet mocht gaan. Niet alleen vond zij mij veel te jong, maar ook te klein van stuk. Inderdaad was ik niet zo groot en kon, wat ik toen niet leuk vond, nog een korte broek aan. Wat ik toen in die penibele situatie om de aandacht van de Duitsers een beetje af te leiden, noodgedwongen ook heb moeten doen. Zo gezegd zo gedaan, wat je ouders beslissen dat was goed en ik zou mij niet gaan melden.

 

Ons huis werd gelukkig niet doorzocht en waande mij veilig in moeders schoot. Totdat ik niets vermoedend mij vertoonde aan de achterkant van ons huis op de varanda bij een heftige discussie tussen de buren over de oproep. Daar werd ik ontdekt door een Duits gezinde beneden buurvrouw, die blijkbaar op de hoogte was van mijn leeftijd en zag dat ik niet van plan was mij te melden. Zij riep met luide stem zodat de hele buurt het kon horen dat ik als 17 jarige ook moest gaan want de andere jongens moesten ook en het was maar voor drie weken. Op gevaar af dat zij mijn weigering om niet te gaan ook aan haar Duitse minnaar zou vertellen sloeg de angst bij mijn ouders toe. Zij durfden het risico om verraden te worden en het gevaar wat ons grote gezin (12 personen) dan boven het hoofd hing bij ontdekking, niet te nemen. De teleurstelling bij iedereen van ons was groot maar ik durfde ook niet tegen te stribbelen. Ik en moest ik mij hals over kop alsnog verkleden en reisvaardig maken voor de nog onbekende bestemming.

 

Ik zie nog het verdriet in de ogen van mijn ouders toen ik angstig de deur uitging. Noodgedwongen en met pijn in het hart konden zij de bescherming van hun oudste zoon niet meer waarborgen. Mijn bagage bestond, buiten de schamele kleding die ik aanhad , uit oude, uit de mode zijnde te grote kledingstukken van mijn vader en half versleten te grote hoge heren rijglaarzen uit het jaar nul en een pakje boterhammen. En daar ging ik als 1 van de ongeveer 50.000 slachtoffers die op deze dag van huis en haard werden verdreven een onzekere toekomst tegemoet.

 

 

 

 

 

Samengedreven in het Feijenoordstadion

 

Bij aankomst op de hoek van de straat bij een grote groep al reeds gevorderde mannen moesten wij ons opstellen en werden onder begeleiding van zwaar bewapende soldaten afgevoerd.

Lopend door de straten in Zuid met de groep steeds groter. Het voorlopige einddoel bleek achteraf het feyenoord stadion te zijn.  Met velen duizenden zuiderlingen heb ik daar in de regen en koud in de open lucht tot zaterdagmorgen op het natte speelveld gestaan.

Wankelend van de ene been op de andere , koud en drijftnat van de voortdurende regen hebben we daar zonder voedsel of enige bericht wat ze met ons van plan waren de hele novembernacht in de zwaar bewaakte vesting doorgebracht.  Op de tribune stond  zwaar schiettuig opgesteld . Het schaarse proviand dat je van thuis had meegekregen was na die verschrikwat er met ons kelijke dag en nacht natuurlijk al op.

De volgende morgen, ( zaterdag ), werden wij in een  grote lange rij lopend , onbekend waarheen , onder gewapende begeleiding over de Stadionweg , Oranjeboomstraat naar de Nassaukade  ter hoogte van de oude Oranjeboom brouwerij gebracht.

Onderweg probeerden familieleden en kennissen van de slachtoffers hen nog wat eten drinken en kleding toe te stoppen. Ondanks de strenge bewaking zag ik sommigen zelfs in een bepaalde onoverzichtelijke situatie uit de rij ontsnappen. Hetgeen levensgevaarlijk was. Zelf had ik daar,  aar bang voor de schietgaren soldaten,  het leeft niet voor.

 

Toen wij uit Rotterdam vertrokken.

 

 

Nog steeds niet op de hoogte wat er met ons ging gebeuren of waar we naar toe gingen  stond ons op de Nassaukade een volgende verrassing te wachten . We werden ingescheept in een zogenaamde invasie schip. Dat waren oude omgebouwde binnenvaartschepen waarvan door de Duitsers de koppen waren afgezaagd en waren voorzien van een laadklep. Op het voordek stonden vliegtuigmotoren opgesteld die de schepen op zee de nodige snelheid moesten geven. De moffen wilden  met deze fragiele binnenschepen  in de zomer van 1940 naar Engeland varen. Tenminste , dat zongen zij uit volle borst als zij als teken van macht door de stad marcheerden. Afgezien van de vraag of deze niet zeewaardige schepen ooit de Engelse kust hadden gehaald , is het er gelukkig nooit van gekomen. Want anders had de oorlog wellicht nog langer geduurd.

 

Dat stelletje afbraak lag al vanaf 1940 ongebruikt in de Waalhaven te wachten en te roesten. Het werd nu ons transportmiddel naar het onbekende. Door gebrek aan onderhoud zag de binnenkant van deze roestbakken er nog slechter uit dan de buitenkant.

We moesten op de weer zwaar bewaakte schepen plaats nemen op in de lengterichting opgestelde houten banken in het ruim. Je kon door een laag water op de bodem , praktisch soms niet met je voeten op de vlonder rusten. Nog nat van het verblijf in het stadion wilde je je voeten wel droog houden natuurlijk. Stijf opeen gepakt naast elkaar zittend werd je na verloop van tijd dood en doodmoe..

 

Er waren aan boord ook geen bruikbare toiletten. Sommigen deden hun behoeften gewoon in het water. De stank in de bedompte ruimte werd, naarmate het veelvuldig sanitair gebruik , niet meer te harden. Daarover klagen bij de bewakers had geen enkele zin. Want als je hoognodig moest kon je ook op aanvraag en bij toestemming stuk voor stuk naar boven klauteren om je behoefte ten aanschouwe van iedereen buitenboord doen. Geheel afgesloten van de buitenwereld werd het provisorische landingsvaartuig met een tussenstop halverwege naar Amsterdam versleept.

 

Geestelijk en lichamelijk gebroken werden we uitgeladen en kwamen terecht in een havenloods. Doodop van de moeilijke reis en ontberingen , stijf als een hout, hebben we in die koude loods geslapen op een met dun laagje stro bedekte vloer. En , omdat we als laatsten van de boot binnenkwamen , was het aanwezige voedsel al uitgedeeld.

Tijdens de reis heb ik nog geprobeerd brood te ruilen voor een paar reserve sokken  waar een van de Duitse bewakers zin in had. De sokken heb ik gegeven, maar het brood heb ik nooit ontvangen.

 

 

 Boottocht over het IJsselmeer

 

 

Na een ongemakkelijke nacht in de loods met weinig slaap vanwege het constante geroezemoes van de honderden mensen , werden we de volgende dag ( zondag  ) s avonds ingeladen in een grote rijnaak.

 

Deze was de laatste reis blijkbaar geladen geweest met kolen want de bodem lag bedekt met een dikke laag kolenstof met daar overheen een dun laagje stro. De grote lichter had meerdere ruimen en  blijkbaar maar één trap. We moesten weer onder bedreiging van gewapende soldaten , schnel…. Schnel door een open luik naar beneden klauteren.

 

Kruipend, met als enige houvast de dwarslatten aan de onderkant van een luik dat schuin naar beneden stond, moesten we ons met bagage laten zakken. Met meer dan 150 man per ruim moesten we dicht opeen mannetje aan mannetje zittend, plaats nemen op de vloer. Bewegen was amper mogelijk. Nog erger als haringen in een ton.

 

Onbeschrijfelijk veel gescheld en gevloek was het gevolg. Zuchtend daalde een machteloos gevoel op ons neer.                                Wanneer iemand toch zijn ledematen wat wilde strekken ging dat dikwijls gepaard met het nodige gekerm en gevloek van anderen.        Het kwam de sfeer in die enge ruimte niet ten goede. Toen we na uren wachten ’s avonds vertrokken , de aantallen moesten kloppen natuurlijk , ging de reis volgens medegevangenen over het IJsselmeer, naar richting onbekend.

 

Ook in deze situatie mocht je na toestemming aan dek om je behoefte buitenboord te doen. Bij gebrek aan een trap in ons ruim  moest je weer over de aan de onderkant van dat luik bevestigde dwarshout naar boven klauteren, wat sommigen gewoon niet lukte. 

Dus die deden het zogenaamd  ( ongemerkt )  maar in het ruim of in hun broek. Dus kreeg je na enige tijd een niet te harden lucht in het ruim. Een mengeling van natte kleren , lijflucht, ontlasting en urine.

 

Om de tijd te doden , en een poging om de sfeer een beetje hoog te houden , werd de hele nacht door afwisselend gezongen , en door verschillende mede slachtoffers moppen verteld.

 

Spannend

 

Spannend werd het toen midden in de nacht vliegtuigen richting Duitsland over het IJsselmeer vlogen. De IJsselmeer route was bij de Geallieerden bekend om drie redenen :  bij helder weer konden de vliegers zich via het water goed oriënteren, en er was ook minder of geen afweergeschut. En als zij aangeschoten waren en hun doel niet konden bereiken, lieten zij boven het IJsselmeer of de Noordzee, na er zelf te zijn uitgesprongen, hun vliegtuig  neerstorten of hun bommenlast vallen. Verder werden er dikwijls overvarende schepen door Engelse nachtjagers beschoten. Geen prettige gedachte als je daar weerloos opeen gepakt in een scheepsruim ligt.

Maar gelukkig zijn we op een paar schoten in de verte na , goed aan de andere kant van het IJsselmeer overgekomen. Na het afmeren werd met het uitladen gewacht tot het daglicht werd.

 

 

Beschrijving Kampen van de heer M.A. ( Rinus )  Zuijdweg

 

 

 

De Opluchting 

 

 

 

 

 

Onderdeel 4.1 – De arrestatie thuis 

 

Het was vroeg in de ochtend toen we werden opgeschrikt door een ongewoon soort drukte in onze buurt.                                           

Ondanks de angstige momenten die we in de voorafgaande oorlogsjaren al hadden meegemaakt, voelde deze ochtend anders, dreigender.

Overal zagen we zwaarbewapende Duitse soldaten die haastig heen en weer liepen, alsof er een operatie gaande was waarvan niemand in de straat het doel kende.

 

Mijn vader stond die ochtend niet buiten voor ons huis, omdat hij beschikte over een vrijwaringsbewijs. Hij had geen reden om te denken dat hij gevaar liep. Maar dat bleek een illusie. 

 

Plotseling stormden vier mannen ons huis aan de Groene Zoom 79 binnen: twee Duitse soldaten, met de bajonet op het geweeréén NSB’eren een Amsterdamse bokskampioen die zich uitgaf als "Kanero".

 

In het bijzijn van mijn moeder en ons, zijn kinderen, vielen er rake klappen. De woede en willekeur waarmee ze tekeergingen waren angstaanjagend. Wij konden niets anders doen dan machteloos toekijken.

 

Toen mijn vader werd meegenomen, mocht hij ons nog één vluchtig kusje geven.

Dat was het laatste moment dat wij hem in levende lijve zagen.

Hij werd met harde hand weggevoerd, zonder uitleg, zonder tijd om iets mee te nemen, zonder de zekerheid dat hij ooit weer thuis zou komen.

 

Wat we later nog van hem ontvingen, waren een postkaart en een brief — zijn laatste tekenen van leven.

 

 

 

 

Onderdeel 4.2 – De Gang naar Buiten en de Afschuwelijke Aanhouding

 

Nadat mijn vader hardhandig was vastgegrepen door de vier mannen die ons huis waren binnengedrongen — de twee Duitse soldaten met de bajonet op het geweer, de NSB’er en de Amsterdamse bokskampioen die zich uitgaf als “Kanero” — werd hem nauwelijks de tijd gegund om afscheid te nemen. Mijn moeder, die hevig geëmotioneerd was, kon niets anders doen dan machteloos toekijken. Ook wij, zijn kinderen, stonden verstijfd van angst in de woonkamer.

 

De Duitse soldaten schreeuwden bevelen, en er vielen opnieuw rake klappen. Het lawaai, het gedreun van laarzen op de houten vloer en de agressieve toon van de mannen zijn geluiden die voor altijd in mijn geheugen gegrift staan. Toch wist mijn vader, in die paar seconden die hij nog kreeg, ons ieder een vluchtig kusje te geven. Het was haastig, opgejaagd — maar het was zijn laatste gebaar van liefde voordat hij werd weggevoerd.

 

Vervolgens werd hij onder bedreiging naar buiten geduwd. De deur sloeg achter hen dicht. Het moment dat hij de drempel overstapte, was — zonder dat wij dat toen wisten — het laatste moment waarop wij hem in levende lijve zagen. Mijn moeder bleef in de deuropening staan, haar handen trillend om de deurpost geklemd.

 

Buiten heerste chaos. In de straten van Vreewijk liepen zwaarbewapende Duitse soldaten heen en weer. Auto’s reden af en aan, en op de hoeken van de straten stonden extra eenheden opgesteld. Het was een onwerkelijke situatie: de oorlog was al vier jaar bezig, maar dit hadden we nog nooit meegemaakt. Het was alsof de tijd even stil stond, en tegelijk alles veel te snel ging.

 

Hoewel wij toen nog niet wisten waar hij naartoe werd gebracht, zagen we hoe hij — tussen andere opgepakte mannen uit de buurt — in de richting van De Kuip werd afgevoerd. Het was een beeld dat diepe sporen achterliet, niet alleen door de angst, maar ook door de onmacht: je eigen vader meegenomen zien worden, zonder te weten wat hem te wachten stond.