Onderdeel 4.2 – De Gang naar Buiten en de Afschuwelijke Aanhouding
Nadat mijn vader hardhandig was vastgegrepen door de vier mannen die ons huis waren binnengedrongen — de twee Duitse soldaten met de bajonet op het geweer, de NSB’er en de Amsterdamse bokskampioen die zich uitgaf als “Kanero” — werd hem nauwelijks de tijd gegund om afscheid te nemen. Mijn moeder, die hevig geëmotioneerd was, kon niets anders doen dan machteloos toekijken. Ook wij, zijn kinderen, stonden verstijfd van angst in de woonkamer.
De Duitse soldaten schreeuwden bevelen, en er vielen opnieuw rake klappen. Het lawaai, het gedreun van laarzen op de houten vloer en de agressieve toon van de mannen zijn geluiden die voor altijd in mijn geheugen gegrift staan. Toch wist mijn vader, in die paar seconden die hij nog kreeg, ons ieder een vluchtig kusje te geven. Het was haastig, opgejaagd — maar het was zijn laatste gebaar van liefde voordat hij werd weggevoerd.
Vervolgens werd hij onder bedreiging naar buiten geduwd. De deur sloeg achter hen dicht. Het moment dat hij de drempel overstapte, was — zonder dat wij dat toen wisten — het laatste moment waarop wij hem in levende lijve zagen. Mijn moeder bleef in de deuropening staan, haar handen trillend om de deurpost geklemd.
Buiten heerste chaos. In de straten van Vreewijk liepen zwaarbewapende Duitse soldaten heen en weer. Auto’s reden af en aan, en op de hoeken van de straten stonden extra eenheden opgesteld. Het was een onwerkelijke situatie: de oorlog was al vier jaar bezig, maar dit hadden we nog nooit meegemaakt. Het was alsof de tijd even stil stond, en tegelijk alles veel te snel ging.
Hoewel wij toen nog niet wisten waar hij naartoe werd gebracht, zagen we hoe hij — tussen andere opgepakte mannen uit de buurt — in de richting van De Kuip werd afgevoerd. Het was een beeld dat diepe sporen achterliet, niet alleen door de angst, maar ook door de onmacht: je eigen vader meegenomen zien worden, zonder te weten wat hem te wachten stond.