De inhoud van deze website is auteursrechtelijk beschermd. ©

              The content of this website is protected by copyright. ©

              Der Inhalt dieser Website ist urheberrechtlich geschützt. ©

              Le contenu de ce site est protégé par le droit d'auteur. ©

 

 

"Terwijl de echo van de woorden van mijn moeder nog nagalmt, verschuift de blik naar een stad in de greep van verandering.            Hoofdstuk 4 brengt ons naar de straten van Rotterdam, waar na de bevrijding een nieuwe toekomst langzaam vorm krijgt."

 

Hoofdstuk 4 – Wat zich afspeelde achter de voordeur.

 

 

4.0 Een stad in de greep.

 

In het najaar van 1944 bevond Rotterdam zich in een wurggreep. De stad droeg nog altijd de littekens van het bombardement van mei 1940. Wijken waren verwoest, gezinnen uiteengerukt, voedsel schaars en brandstof vrijwel onvindbaar. De Duitse bezetter voerde de druk verder op. Maatregelen volgden elkaar in hoog tempo op. De onzekerheid groeide.

 

Hoop en angst bestonden naast elkaar — maar zekerheid ontbrak.

 

 

Op dinsdag 5 september 1944, later bekend geworden als Dolle Dinsdag, verspreidde zich het gerucht dat de geallieerden Nederland spoedig zouden bevrijden. NSB’ers sloegen op de vlucht. Mensen fluisterden op straat dat het einde van de bezetting nabij was. Ook in Rotterdam leefde die hoop. In duizenden gezinnen — ook in het mijne — werd voorzichtig gesproken over vrijheid.

 

 

Maar de werkelijkheid bleek anders.

 

 

De geallieerde opmars stokte bij de grote rivieren. Operatie Market Garden bracht niet de doorbraak waarop velen hadden gehoopt. Rotterdam bleef bezet gebied. De teleurstelling was voelbaar en zwaar. De Duitse bezetter reageerde met toenemende hardheid. Er kwamen meer controles, meer dreiging, meer willekeur.

 

 

Wat begon als hoop, sloeg om in spanning.

En toen, enkele weken later, werd die spanning werkelijkheid.

 

 

Op vrijdag 10 november 1944 omsingelden Duitse troepen grote delen van Rotterdam. Bruggen werden afgesloten, straten geblokkeerd, wijken hermetisch afgezet. Mannen tussen ongeveer 17 en 40 jaar moesten zich melden. Huizen werden doorzocht. Wie zich niet meldde, werd opgejaagd.

 

Tienduizenden mannen werden die dag opgepakt tijdens wat bekend zou worden als de Razzia van Rotterdam.

 

Achter iedere voordeur speelde zich een eigen drama af.

 

Terwijl Rotterdam onder toenemende druk stond, ontwikkelden de gebeurtenissen zich in de dagen vóór 10 november 1944 in een zorgwekkende richting.

 

De familie Zuijdweg was tijdens de razzia woonachtig in de arbeiderswijk Bloemhof een wijk in Rotterdam Zuid

 

10 november 1944 – Razzia in Rotterdam-Zuid

 

In de vroege ochtend van 10 november 1944 omsingelden Duitse militairen de wijken van Rotterdam-Zuid. In onder andere Tuindorp Vreewijk, Bloemhof, Hillesluis en Feijenoord werden mannen tussen 17 en 40 jaar ruw uit hun huizen gehaald.

Zonder aanklacht, zonder afscheid, zonder zekerheid over wat hen te wachten stond. Moeders, vrouwen en kinderen bleven verbijsterd achter.

 

Wat volgde was een massale deportatie naar Duitsland. Velen kwamen terecht in dwangarbeiderskampen rond Osnabrück

en andere industriesteden. Voor sommigen werd het een weg zonder terugkeer.

                        

 

Het begin van een tragedie die gezinnen voorgoed tekende.

 

 

Vooraf – De dagen vóór 10 november 1944

 

In september 1944 werd er in onze buurt weer naar de lucht gekeken. Er werd gesproken over vliegtuigen, over een luchtbrug, over de komst van de geallieerden. De naam Operatie Market Garden ging van mond tot mond. Voor volwassenen was het een militaire operatie. Voor een kind betekende het iets anders: het was een teken van hoop !

 

Ik herinner mij dat ik kentekens en markeringen van vliegtuigen noteerde. Het leek belangrijk. Alsof het bijdroeg aan het verwelkomen  van hen die ons zouden bevrijden.  

 

De spanning was anders dan in de jaren daarvoor. Er werd gefluisterd, maar er werd ook voorzichtig geloofd dat het niet lang meer kon duren.

 

Die hoop bleek voorbarig.

 

Na september bleef Rotterdam-Zuid onder Duitse bezetting. De bevrijding stokte bij de grote rivieren. De dagen werden korter, de nachten kouder. Achter voordeuren sprak men over voedsel, over brandstof, over wat de winter zou brengen. De onzekerheid nam toe. Er deden geruchten de ronde over grootschalige arbeidsinzet. Mannen werden gewaarschuwd om zich gedeisd te houden. Sommigen doken onder. Anderen bleven thuis — uit plichtsgevoel, uit verantwoordelijkheidsbesef, of eenvoudigweg omdat men niet kon geloven dat het zó massaal zou worden.

 

Wat wij niet wisten, was dat de bezetter voorbereidingen trof voor een grootschalige razzia.

 

De actie werd zorgvuldig voorbereid en vrijwel zonder uitlek uitgevoerd. Wijken werden in sectoren verdeeld, bruggen en uitvalswegen bewaakt, complete straten systematisch doorzocht. Voor zover bekend was het georganiseerde verzet niet tijdig op de hoogte van de precieze datum en omvang van deze operatie. Algemene waarschuwingen voor arbeidsinzet bestonden, maar geen gerichte alarmering die kon voorkomen wat op handen was.

 

Wat op 10 november 1944 zou plaatsvinden, overtrof de somberste verwachtingen..

 

Achter iedere voordeur speelde zich een eigen drama af.  

 

 

Maar wat betekende dat concreet ?

 

Achter één van die voordeuren woonde de heer Zuijdweg. Zijn verhaal helpt ons te begrijpen hoe de razzia van 10 november 1944 het bestaan van talloze Rotterdamse gezinnen ingrijpend veranderde.

 

Op die ochtend werd bij hem aangebeld. Het was een gewone dag begonnen in Rotterdam-Zuid, maar die rust werd abrupt verbroken. Wat volgde, sleurde hem mee in een reeks gebeurtenissen die zijn leven voorgoed zouden veranderen.

 

Voor jonge generaties kan het moeilijk zijn zich voor te stellen wat een razzia werkelijk betekende. Daarom is het belangrijk een persoonlijk verhaal te volgen.

 

Het levensverhaal van de heer Zuijdweg helpt ons te begrijpen wat er achter één voordeur gebeurde op 10 november 1944 — en waarom deze geschiedenis niet vergeten mag worden.

 

 

4.1 Tafereel achter de voordeur van de fam. Zuijdweg

 

Citaat uit het dagboek van de heer M.A. ( Rinus ) Zuijdweg                                

 

Rotterdam Razzia 10 november 1944

 

Het was op vrijdagmorgen van 10 november 1944  dat we vroeg werden  opgeschrikt door een enorme ongewone drukte in de Rozemarijnstraat ( Bloemhof Rotterdam Zuid ) waar ik toen woonde.

 

Het was weliswaar het vierde oorlogsjaar en hadden al heel wat angstige momenten mee gemaakt , maar waren toch niet gewend dat er in onze buurt zoveel zwaar bewapende Duitse soldaten driftig heen en weer liepen.               

 

Op het kruispunt met de Balsemienstraat stond zelfs zwaar schiettuig opgesteld . Tevens bleek er in iedere brievenbus van de hoofdzakelijk uit arbeiderswoningen bestaande wijk een Bevel te zijn gestopt.  Daarin stond dat alle mannen van 17 tot 40 jaar met voldoende kleding en proviand zich op de hoek van de straat bij de soldaten voor werk voor de Weermacht moesten melden. Het zou, vermeldde het pamflet, maar 3 weken duren en zouden goede kost , rookartikelen en vijf gulden per dag krijgen.

 

Zij die niet aan de oproep gehoor zouden geven liepen bij ontdekking het gevaar gestraft te worden en particulier eigendom zou worden aangesproken. Nu waren .  we van de bezetter wel wat geweld en bluf gewend. Maar gezien de overmacht en verbetenheid waarbij deze actie gepaard ging , sloeg de onzekerheid bij velen evenredig toe. Met bajonet op de geweren bewapende soldaten belde aan , trapten als zij dat nodig vonden de deuren open en deden huiszoeking. Één groot aantal mannen die eigenlijk geen gehoor wilde geven aan de oproep, gingen uit angst dat hun familieleden wat zou overkomen , zich na schoorvoetend zoveel dreiging , schoorvoetend toch maar melden bij de soldaten. Éen karig bundeltje kleding en voedsel mede nemend.

 

Mijn vader was boven de 40 dus hoefde zich niet te melden. Maar ik was één maand voor deze wat achteraf bleek , één groot razzia te zijn , 17 jaar geworden dus ik viel net binnen de leeftijdsgrens en moest mij eigenlijk melden. Mijn moeder nam toen het spontane besluit dat ik niet mocht gaan. Niet alleen vond  zij mij veel te jong , maar ook te klein van stuk .Inderdaad was ik niet zo groot en kon, wat ik toen niet leuk vond, nog een korte broek aan. Wat ik toen in die penibele situatie om de aandacht van de Duitsers een beetje af te leiden , noodgedwongen ook heb moeten doen. Zo gezegd zo gedaan, wat je ouders beslisten dat was goed en ik zou mij niet gaan melden.

 

Ons huis werd gelukkig niet doorzocht en waande mij veilig in moeders schoot. Totdat ik niets vermoedend mij vertoonde aan de achterkant van ons huis op de veranda bij een heftige discussie tussen de buren over de oproep. Daar werd ik ontdekt door een Duits gezinde beneden buurvrouw, die blijkbaar op de hoogte was van mijn leeftijd en zag dat ik niet van plan was mij te melden. 

 

Zij riep met luide stem zodat de hele buurt het kon horen dat ik als 17 jarige ook moest gaan want de andere jongens moesten ook en    het was maar voor drie weken. Op gevaar af dat zij mijn weigering om niet te gaan ook aan haar Duitse minnaar zou vertellen sloeg de angst bij mijn ouders toe. Zij durfden het risico om verraden te worden en het gevaar wat ons grote gezin ( 12 personen ) dan boven het hoofd hing bij ontdekking, niet te nemen.

 

De teleurstelling bij iedereen van ons was groot maar ik durfde ook niet tegen te stribbelen. En ik moest mij hals over kop alsnog verkleden en reisvaardig maken voor de nog onbekende bestemming.

 

Ik zie nog het verdriet in de ogen van mijn ouders toen ik angstig de deur uitging. Noodgedwongen en met pijn in het hart konden zij de bescherming van hun oudste zoon niet meer waarborgen.

 

Mijn bagage bestond, buiten de schamele kleding die ik aanhad, uit oude, uit de mode zijnde te grote  kledingstukken van mijn vader

en half versleten te grote hoge heren rijglaarzen uit het jaar nul en een pakje boerhammen.

 

En daar ging ik , als  1 van de ongeveer 50.000 slachtoffers die op deze dag van huis en haard werden verdreven een onzekere toekomst tegemoet.

 

Einde Citaat dagboek van de heer M.A. ( Rinus ) Zuijdweg

 

 

Hieronder de  foto van de heer M.A. (Rinus) Zuijdweg
(bron / Het Algemeen Dagblad ( AD - Foto Jan de Groen)

 

 

De Razzia van Rotterdam - Het drama van Tuindorp Vreewijk

 

 

In de nadagen van de Tweede Wereldoorlog werd Rotterdam getroffen  door een van de meest ingrijpende gebeurtenissen uit zijn geschiedenis. Op 10 en 11 november 1944 voerde de Duitse bezetter een grootschalige  razzia uit , waarbij  meer dan 50.000 mannen werden opgepakt en gedeporteerd voor dwangarbeid in Duitsland.

 

Vooral in Rotterdam-Zuid en in het bijzonder in Tuindorp Vreewijk, liet deze gebeurtenis diepe littekens achter. Wat begon als een gewone herfstdag , veranderde in een nachtmerrie die gezinnen voorgoed uit elkaar rukte. 

 

In 1944 was de situatie al zwaar. De oorlog duurde voort, voedsel werd schaarser en de dreiging van de bezetter.

 

Een wijk in oorlogstijd 

 

 

Tuindorp Vreewijk stond bekend als een rustige , groene arbeiderswijk. De wijk was ontworpen met aandacht voor leefbaarheid en gemeenschapsgevoel. Juist daarom was de impact van de razzia hier zo groot : het dagelijkse leven werd abrupt verstoord.

 

In 1944 was de situatie al zwaar. De oorlog duurde voort, voedsel werd schaarser en de dreiging van de bezetter was voortdurend aanwezig. Toch kon niemand vermoeden wat er in november zou gebeuren.

 

 

De omsingeling van de stad

 

In de nacht van 9 op 10 november 1944 werd Rotterdam volledig afgesloten. Duitse troepen sloten bruggen af en controleerden alle toegangswegen. Communicatie werd onmogelijk gemaakt.In Vreewijk sliepen de meeste bewoners nog, onwetend van wat hen                 te wachten stond.

 

 

De inval in de wijk

 

In de vroege ochtend van 10 november verschenen Duitse soldaten in de straten van Vreewijk. Ze gingen systematisch te werk : straat voor straat, huis voor huis.  Er werd hard op de deuren gebonsd. 

 

Mannen tussen de 17 en 40 jaar moesten zich legitimeren. Wie binnen deze leeftijdsgroep viel , liep groot gevaar om meegenomen te worden.

 

Angst achter de voordeur 

 

Achter gesloten deuren speelden zich dramatische taferelen af :

 

***  Mannen probeerden zich te verstoppenop zolders of onder vloeren 

***  Gezinnen overlegden in paniek wat te doen

***  Moeders probeerden hun mannen en zonen te beschermen

 

Soms met succes , maar vaak zonder resultaat. Kinderen zagen hoe hun vader werd meegenomen. Voor velen was dit het laatste moment dat zij hem zagen, 

 

 

 

4.2 Tafereel achter de voordeur van de familie Gaertman in Tuindorp Vreewijk

 

 

Overgang:
Even verderop in Rotterdam-Zuid voltrok zich op dezelfde ochtend aan de Groene Zoom 79 een ander tafereel

 

Historisch kader : De Razzia van 10 november 1944 In Tuindorp Vreewijk

 

Op 10 november 1944 werd ook Tuindorp Vreewijk de karakteristieke tuinstad in Rotterdam-Zuid , omsingeld door Duitse troepen. De Razzia trof niet alleen het centrum van Rotterdam , maar juist ook woonwijken waar arbeidersgezinnen leefden.

 

Vreewijk ontworpen als een ideale woonwijk met veel groen en gemeenschapszin , werd die ochtend een wijk van angst en dreiging. Soldaten blokkeerden toegangswegen en trokken straat voor straat door de buurt. De stilte van de vroege ochtend werd doorbroken door gebonk op deuren , bevelen in het Duits en het huilen van kinderen.

 

De Razzia was onderdeel van een grootschalige Duitse actie na de mislukking van Operatie Market Garden. De bezetter wilde arbeidskrachten voor  de oorlogsindustrie en voorkomen dat Rotterdam een brandpunt van verzet zou worden.

 

Foto van mijn vader Hendrik Willem Gaertman uit 1943

Foto van mijn moeder Jo Gaertman - Zimmerman uit 1943

    Kinderen uit het huwelijk van Hendrik Willem Gaertman en Johanna Agnes Suzanna Hendrika Zimmerman

 

                   Van Links naar rechts Jan, Mathilde, Henk en Henny ( De kleding maakte mijn moeder zelf als vakkundig coupeuze )

 

Ook achter de voordeur van de familie Gaertman in Tuindorp Vreewijk voltrok zich die ochtend een persoonlijk drama.

 

Met veel machtsvertoon en geweld dwongen die ochtend een 4- tal personen ons huis binnen. Hun aanwezigheid 4 personen vulde de kleine woonkamer met een ongekende dreiging.

Dit gezelschap bestond uit :

 

Twee Duitse soldaten met de bajonet op het geweer die waren vergezeld door 

 

Een NSB-er

 

en een man die zich uitgaf als Amsterdams bokskampioen onder de naam "Kanero".

 

In de nabijheid van mijn moeder en ons , de kinderen , vielen er harde klappen.. Het geweld was bedoeld om  angst te zaaien                      en verzet bij voorbaat te breken. Dat dit gebeurde in het bijzijn van een moeder en haar kinderen toont de  meedogenloosheid van de actie. Mijn vader had de beschikking over een vrijwaringsbewijs en had zich als zodanig niet voor ons huis geposteerd.  In normale omstandigeden had dit hem kunnen beschermen tegen arbeidsinzet. Maar tijdens deze razzia werd geen ruimte gelaten voor individuele uitzonderingen. De actie was systematisch , massaal en hard.

 

Te midden van de spanning mocht hij ons nog een vluchtig kusje geven en vervolgens werd hij , onder zware begeleiding, weggevoerd.     

 

                                        Dit was voor ons het laatste moment dat wij hem in levende lijve zagen. 

 

 

 

Portret Hendrik Willem Gaertman --- Geboortedatum 22 maart 1940 

 Fotograaf en schrijver Dick Termond in het boek 44 Nabestaanden - De Razzia van november 1944 in Rotterdam en Schiedam.

 

 

Henk is na beëindiging van zijn werkzaam leven begonnen aan het onderzoek wat zijn vader Hendrik Willem Gaertman in de oorlog en tijdens de razzia is overkomen. Naast dat hij gebeurtenissen uit de oorlog nog levendig voor zich ziet, spreekt hij van het syndroom             " Augustaschacht " ( een straf- en heropvoedingskamp in Ohrbeck nabij Osnabrück ) waar zijn vader op gruwelijke wijze werd vermoord.

 

 

                              Bron : Dick Termond - De Razzia van November 1944 in Rotterdam en Schiedam  : 44 Nabestaanden                                   

 

Citaat :  Dick Termond  

 

 Op 10 en 11 november 1944 werden meer dan 52.000 mannen uit Rotterdam en Schiedam weggevoerd tijdens de grootste razzia uit de   Nederlandse geschiedenis. Slechts weinigen keerden ongeschonden terug. Voor de achterblijvers bleef de leegte.

 

 In 44 Nabestaanden vertelt fotograaf en schrijver Dick Termond de verhalen van kinderen , kleinkinderen en andere verwanten van de   weggevoerden. In openhartige interviews reconstrueren zij wat hun vader of grootvader is overkomen , maar vooral ook hoe de stilte ,     het verdriet en de veerkracht doorwerkten in hun eigen leven. 

 

 Met indringende portretten en getuigenissen brengt dit boek de echo van de razzia tot leven. Het is geen opsomming van feiten , maar       een menselijke geschiedenis over verlies, zwijgen en de kracht van herinneren.   

 44 Nabestaanden is een uitnodiging om te luisteren naar wat generaties lang ongezegd bleef, en om door te geven wat niet vergeten mag   worden. 

 

Henk in uitspraken

 

De razzia heeft een groot litteken in ons gezin geslagen. Als je tijdens de hongerwinter wordt geconfronteerd met de effecten van verzet en nu en dan onderduikers in huis hebt en voeg daarbij het verdriet van mijn moeder die in de oorlogsjaren haar moeder , haar schoonmoeder , haar broer aan tyfus en uiteindelijk ook haar man verloor , dan geeft dat grote spanningen.                                                                       

                     

 Het kwam alles neer op de schouders van mijn moeder. Je bent dan als kind snel "kind af ".

                                                                                                                                                                                                                                   

"We werden als kinderen ( Jan, Henny, Henk en Mathilde ) op 6 februari 1953 tijdens de watersnood geconfronteerd met het overlijden van onze moeder als gevolg van een hersenbloeding. Ik was toen 12 jaar en mijn jongste zus Mathilde 10 jaar. Vanaf die datum waren we weeskinderen met alle gevolgen van dien.

 

Al deze gebeurtenissen hebben mij in het latere leven veel concentratieverlies opgeleverd.

 

                                                                                                                                                                                                                                                                                                                       Einde Citaat : Dick Termond                                                                                                                                                                                                                                                        

 

De eerste exemplaren van het boekwerk 44 Nabestaanden van Dick Termond werden op 10 november 2025 uitgereikt aan de Heer Harald Bergmann en aan mevr. Carola Schouten resp. Burgemeester van Schiedam en Rotterdam. In het midden Dick Termond fotograaf en schrijver.

Van Statistiek naar menselijk verhaal

 

De Razzia van 10 november 1944 wordt vaak weergegeven  in cijfers : meer dan 50.000 opgepakte mannen ,  overvolle treinen richting Duitsland, duizenden gezinnen ontwricht.

Maar achter elk cijfer schuilt een woonkamer , een gezin, een kind dat zijn vader ziet vertrekken

 

Het verhaal van de familie Gaertman maakt zichtbaar  wat de razzia werkelijk betekende voor Rotterdam Zuid

 

 ****   Angst achter gesloten deuren

 ****   Vernedering in het bijzijn van kinderen

 ****   De plotselinge afwezigheid van vaders

 ****   En een onzekerheid die uitmondde in de naderende Hongerwinter

 

Door deze persoonlijke herinnering te verbinden aan de historische context wordt duidelijk dat de Razzia niet alleen een militaire

maatregel was, maar een diep ingrijpend menselijk drama.

 

 

Stap 1 – De envelop

 

- Titel: De envelop – Kampen, 18 november 1944

- Subtitel: Brief van mijn vader tijdens deportatie

- Auteur: [Hendrik Willem Gaertman]

- Datum: [30 maart 2026]

 

[FOTO – VOORZIJDE ENVELOP]
Voorkant van de briefenvelop van mijn vader, gedateerd 18 november 1944.

 

Deze envelop bevat de brief die mijn vader schreef tijdens zijn deportatie in november 1944.

 

De brief werd geschreven aan boord van het schip “Helios” (1643 ton), op de Zuiderzee (het huidige IJsselmeer), op een woensdagmiddag tijdens de overtocht van Amsterdam naar Kampen. Deze reis duurde ongeveer zes tot zeven uur.

FOTO – ACHTERZIJDE ENVELOP]

 Achterkant van de envelop met aantekeningen over aankomst in Kampen.

 

Op de achterzijde van de envelop noteerde mijn vader enkele aanvullende woorden. Hij schreef dat hij op donderdagochtend 16 november 1944 in Kampen was aangekomen en vermoedelijk zou worden ondergebracht in de Generaal van Heutszkazerne.

 

Hij voegde eraan toe:
Nader bericht volgt zo spoedig mogelijk. Hartelijke groeten aan allen. Henk.                                  

 

De brief werd uiteindelijk gepost in Kampen op 18 november 1944 — waarschijnlijk met hulp van de plaatselijke bevolking, die veel heeft betekend voor de dwangarbeiders in die periode.

 

 

 

🔹 Stap 2 – Eerste citaatkader (briefkaart)  🔹 

 

 

Citaatkader – Briefkaart

                                                         

           “Heb je van kantoor nog iets gehoord" ?
             Schrijf per omgaande eens terug. Misschien lukt het.

 

                                                                          En de financiën — gaan die door?
                                                               

                                                                  Dan behoef ik daar geen zorg over te hebben.”

 

                                                    Deze woorden schreef mijn vader op een briefkaart tijdens zijn deportatie.                                                                                       

                                     In de zin    ‘Misschien lukt het’   klinkt hoop door — maar ook de onzekerheid van dat moment.

 

 

Persoonlijke reflectie 

 

                    Deze korte zinnen en de envelop zelf laten zien hoe het dagelijkse leven — contact met familie, zorgen over                                                         

                     financiën,  hoop en onzekerheid van levensbelang bleef ,  onzekerheid  zelfs in een situatie van deportatie.

 

                                     Voor mij persoonlijk is dit document helend en belangrijk  om het verhaal van mijn vader levend te houden.

 

                                                                 

 

 

 

                                                                                   Auteur : Hendrik Willem Gaertman

 

 

 

🔹 Stap 3 – Voorzichtige toevoeging

                          💬Citaat– Brief uit Kampen (18 november 1944)

 

 

“Lieve vrouw en kinderen,

 

                                    Vanmorgen zijn we verplaatst naar de Gen. van Heutsz kazerne in Kampen, kamer 74 met 15 man.

 

                                                         Je begrijpt dat praktisch den geheele dag je gedachten thuis zijn.

 

                                              Met z’n vijven zitten we bij elkaar, nog steeds hetzelfde ploegje uit het stadion.

 

                                                             Waar de uiteindelijke bestemming heen is, is niet bekend.”


📌 Toelichting

 

Deze briefkaart schreef mijn vader op 18 november 1944 vanuit Kampen, kort na aankomst.

 

De woorden laten zien hoe onzeker de situatie was — en hoe sterk de band met thuis bleef.

Overgang naar 4.3 Tafereel achter de voordeur van Oldegaarde 112b, Rotterdam Charlois

 

Achter de voordeur van de familie Gaertman speelde zich een werkelijkheid af die voor velen lange tijd onzichtbaar is gebleven. Het zijn de kleine, persoonlijke momenten — de spanning in huis, het gefluister, de angst voor wat komen gaat — die samen het grotere verhaal van de oorlog vormen.

 

Wat zich hier afspeelde, stond niet op zichzelf. In talloze huizen in Rotterdam-Zuid voltrokken zich vergelijkbare taferelen. Gezinnen leefden tussen hoop en vrees, terwijl buiten de dreiging steeds voelbaarder werd.

 

Juist daarom zijn persoonlijke getuigenissen van onschatbare waarde. Zij geven niet alleen feiten weer, maar laten ons voelen wat het betekende om die tijd daadwerkelijk mee te maken.

 

Volgens een toelichting van zijn zoon, Henk Bender, was dit het dagboek van zijn vader, Hendricus Bender (22 juli 1920 – 8 maart 1985). Jarenlang had dit persoonlijke document verborgen gezeten achter het kastje, onzichtbaar voor de buitenwereld

 

 

Toelichting van Henk Bender (november 1996)

 

"Van het bestaan van dit dagboekje was, voor zover ik weet, niemand op de hoogte. Waarschijnlijk zal mijn moeder, Alida Meijer, het na de terugkeer van mijn vader uit Duitsland wel hebben gelezen.

 

Uit de zeer schaarse verhalen die mijn vader wel eens over die periode vertelde, kwamen enkele fragmenten uit dit boekje mij bekend voor. Het overgrote deel was mij echter totaal nieuw.

 

De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik door dit boekje mijn vader op een andere manier ben gaan zien. De vader die in dit dagboek naar voren komt, kende ik niet. Ik zou willen dat dit boekje veel eerder tevoorschijn was gekomen.

 

Het geeft een indringend beeld van de omstandigheden waarin hij in Duitsland verkeerde — hoe hij dacht, waaraan hij dacht en wat hem dagelijks bezighield. Maar wat hij, zoals zovelen, werkelijk heeft meegemaakt, zal altijd voor een deel onbekend blijven.

 

Het dagboek eindigt vrij abrupt op 21 april 1945. De reden hiervan laat zich slechts raden, maar zal ongetwijfeld te maken hebben gehad met zijn vertrek uit Duitsland. Toen de geallieerden het gebied bereikten waar hij verbleef, zal iedereen geprobeerd hebben zo snel mogelijk naar huis terug te keren.

 

Het moet een tijd zijn geweest waarin alles snel veranderde en niets zeker was. Mogelijk is hij kort na de laatst vermelde datum vertrokken richting Nederland. Uit andere documenten, waaronder een verlofpas van Repatriëring Zuid-Limburg, blijkt dat hij nog enige tijd in Limburg (Maasbree) heeft verbleven voordat hij naar Rotterdam kon terugkeren. Mogelijk hield dit verband met een wond aan zijn voet.

Ik heb de tekst van het dagboek zoveel mogelijk ongewijzigd gelaten. Hier en daar zijn, ten behoeve van de leesbaarheid, leestekens toegevoegd of zinnen licht aangepast. De intentie van het dagboek is echter volledig intact gelaten.

 

Opmerking Henk Gaertman

 

Opmerkelijk is dat in het dagboek driemaal de naam Laurens voorkomt. Nadat ik het boekwerk had gelezen, heb ik Henk Bender gewezen op het boekje van Lourens Reedijk, dat hij inmiddels heeft aangeschaft. De verbazing was groot. Zo krijgt de context van het dagboek nog meer betekenis en wordt het verhaal verweven met andere bronnen over die periode."

 

Waar het tafereel achter de voordeur van de familie Gaertman een momentopname biedt, vormt dit dagboek een doorlopende getuigenis. Dag na dag beschrijft Bender wat hij ziet, hoort en voelt. Zijn woorden brengen ons dichter bij de werkelijkheid van alledag in oorlogstijd — een werkelijkheid die zich niet alleen op straat afspeelde, maar juist ook binnenshuis, achter gesloten deuren.

 

Via een oproep in De Oud-Rotterdammer kwam dit bijzondere document uiteindelijk in mijn bezit. Dankzij de bereidheid van Henk Bender om het dagboek van zijn vader te delen, is een stem uit het verleden opnieuw hoorbaar geworden.

 

 

Razzia Rotterdam 1944 - Hoofdstuk Met Dagboek Bender
 

     

 

Een stem uit de deportatie

 

Op 10 november 1944 wordt Rotterdam opgeschrikt door een van de grootste razzia’s uit de Nederlandse geschiedenis. Duizenden mannen worden van straat en uit hun huizen gehaald. Ook in wijken als Vreewijk worden gezinnen plotseling uit elkaar gerukt.

 

Wat volgt is een gedwongen deportatie naar Duitsland, waar velen worden ingezet voor dwangarbeid. De gebeurtenissen laten diepe sporen na in de stad en haar inwoners.

 

Een stem uit de razzia

 

Eén van de mannen die wordt weggevoerd is Hendricus Bender. In zijn dagboek beschrijft hij wat hem overkomt.      Zijn woorden brengen ons dichter bij de werkelijkheid van die dagen.

 

Op de kade begint zijn reis:

 

“Om half elf komt er een sleepboot voor en vertrekken we vanaf de Stieltjeskade. Waarheen?”

 

Met deze ene vraag vat hij de onzekerheid van duizenden mannen samen. De kade wordt het punt waarop het gewone leven abrupt eindigt.

 

 

De razzia van november 1944

Een stem uit de deportatie

 

Op 10 november 1944 wordt Rotterdam opgeschrikt door een van de grootste razzia’s uit de Nederlandse geschiedenis. Duizenden mannen worden van straat en uit hun huizen gehaald. Ook in wijken als Vreewijk worden gezinnen plotseling uit elkaar gerukt.

 

Wat volgt is een gedwongen deportatie naar Duitsland, waar velen worden ingezet voor dwangarbeid. De gebeurtenissen laten diepe sporen na in de stad en haar inwoners.

 

Een stem uit de razzia

 

Eén van de mannen die wordt weggevoerd is Hendricus Bender. In zijn dagboek beschrijft hij wat hem overkomt. Zijn woorden brengen ons dichter bij de werkelijkheid van die dagen.

 

Op de kade begint zijn reis:

“Om half elf komt er een sleepboot voor en vertrekken we vanaf de Stieltjeskade. Waarheen?”

 

                                    Met deze ene vraag vat hij de onzekerheid van duizenden mannen samen.                                        De kade wordt het punt waarop het gewone leven abrupt eindigt.


 

4.3 Tafereel achter de voordeur van Oldegaarde 112b, Rotterdam-Charlois

 

Achter de voordeur van Oldegaarde 112b, in Rotterdam-Charlois, ging jarenlang een verhaal schuil dat voor de buitenwereld onzichtbaar bleef. Waar herinneringen vaak worden doorgegeven van generatie op generatie, lag dit verleden letterlijk verborgen — stil en vergeten.

 

In augustus 1996, tijdens het uitruimen van de woning in verband met een verhuizing van mijn stiefmoeder, kwam het onverwacht tevoorschijn. Toen een klein kastje aan de muur werd losgeschroefd, viel er iets op de grond. Het bleek een klein dagboekje te zijn, opgeborgen in een bruine envelop van Scheepswerf Piet Smit.

 

Hier volgt een selectie van de aantekeningen gemaakt door Hendricus Bender.

 

 

 

Dagboekfragmenten

Citaat Hendricus Bender

Vrijdag 10 november 1944

 

“8u30 van huis gehaald en naar het oude Feyenoord terrein gebracht.”

“Er zitten ongeveer 100 man in dit ruim. Ik heb precies een plaatsje waar ik mijn voeten neer kan zetten.”

“Daar zie ik de sterren door voorbijschuiven.”

 

De mannen worden samengebracht en afgevoerd. In het ruim van het schip begint een onzekere reis.

 

 

Zaterdag 11 november 1944

 

“Ik kon niet liggen of zitten. Dus heb ik maar van den ene voet op de andere gehangen.”

“Wanneer er teveel boven kwamen werd er geschoten.”

 

De eerste nacht verloopt zonder rust. Vermoeidheid en angst nemen toe.

 

Zondag 12 november 1944

 

 

                                                      “We worden bewaakt als gevangenen. Dat zijn we eigenlijk ook.”

                                                                                                                                                                                                                                        Het besef groeit dat vrijheid ver weg is.

 

 

 

Maandag 13 november 1944 – Kampen

 

“Er komen S.S. soldaten (…) en slaan ieder die aan dek komt.”

“Er zat bij ons een jood. Die wordt er op de wal uitgepikt en door een officier doodgeschoten en vervolgens de IJssel ingetrapt.”

 

De situatie escaleert in openlijk geweld en willekeur.

 

Dinsdag 14 november 1944

 

“De bevolking van Kampen komt naar de kade met brood en pannen eten.”

“Wat die mensen daar gedaan hebben vergeet ik nooit weer.”

 

Tussen alle ellende door tonen burgers hun medemenselijkheid.

 

Woensdag 15 november 1944

 

“We weten nu zeker dat we de grens over gaan.”

“We piekeren er allemaal over hoe het thuis gesteld zal zijn.”

 

De onzekerheid verschuift naar zorgen om het thuisfront.

 

 

Donderdag 16 november 1944

 

“Van Hannover zien we alleen puin.”

 

De verwoesting van de oorlog wordt zichtbaar.

 

 

Vrijdag - Zaterdag 17–18 november 1944

 

“We moeten direct onder de douche… een laag kolengrijs wordt van ons lichaam afgeboend.”

“Wanneer je die dekens met schone handen vastpakt zijn ze gelijk vuil.”

“We slapen, ondanks vuil en vlooien.”

 

De mannen bereiken hun bestemming: een werkkamp waar zware omstandigheden het dagelijks leven bepalen.

Zondag 19 november 1944

 

Na de zware reis ontstaat een eerste vorm van dagelijks leven, maar de omstandigheden blijven slecht.

“Nu we een beetje uitgeslapen zijn ontdekken we dat het met de vlooien erger is dan we dachten.”                                                           “Mijn eigen deken zal ik maar in mijn tas houden. Die waag ik er liever niet aan.”

                                                               

                           Zelfs in rust blijft het leven in het kamp onhygiënisch en ongemakkelijk. Van echte verbetering is geen sprake.

 

 

 

Maandag 20 november 1944

 

De eerste werkdag breekt aan. De mannen worden ingedeeld en maken kennis met het arbeidsritme van het kamp.

     

                          “Als dat gebeurd is worden we op het kantoor ingeschreven en krijgen we onze werkleding.”

 

                    “Bijzonder werk is het niet… waar ik terecht kom worden enkel lagers klaargemaakt. Allemaal hetzelfde.”

 

                                                            “Om 6 uur krijgen we soep. Water met knol.”

 

 

           Het werk is eentonig en zwaar, het eten schaars. Het dagelijks leven wordt bepaald door arbeid, discipline en herhaling.

 

 

Dinsdag 21 november 1944

 

Het ritme van het kamp zet zich voort. De dagen beginnen op elkaar te lijken.

 

                                                                           “Weer hetzelfde werk.”

 

                            “Ik heb gisteren ook een paar klompen gekregen… daar heb ik nu mijn voeten al in kapot gelopen.”

 

                                          “Na het werk weer watersoep en 200 gram marmelade voor twee weken.”

 

De omstandigheden blijven zwaar. Slechte kleding en gebrekkige voeding maken het werk steeds moeilijker vol te houden. Zelfs kleine voorzieningen, zoals een bril, moeten via het kamp geregeld worden.

 


 

Woensdag 22 november 1944

 

De oorlog blijft ook in Duitsland voortdurend voelbaar. Luchtalarmen en bombardementen bepalen het dagelijks leven.

 

                                                   “Vanmorgen bij het opstaan pijn in mijn rug en hoofd.”

 

                           “De bunkers op de fabriek zijn veilig… maar daar mogen wij niet in. Dat is alleen voor Duitsers.”

 

                           “Dan denk ik er weer aan dat we thuis zeiden… die brengen hun vrachtje weer naar Duitsland.”

 

 

Zelfs tijdens bombardementen blijven de omstandigheden ongelijk en onzeker. Bescherming is er nauwelijks, en het besef groeit dat ook hier veiligheid relatief is.

 


 

Maandag 27 november 1944

 

De uitputting begint zijn tol te eisen. Ziekte en gebrek aan rust maken het dagelijks leven steeds zwaarder.

 

                           “Nog niet gezond. Ik durf niet in bed te blijven want dan pesten de vlooien me er toch weer uit.”

 

                                           “En als die het niet doen word je er wel uitgeschopt door den lagerführer.”

 

 

Rust is er nauwelijks. Zelfs ziekte biedt geen ontsnapping aan de harde omstandigheden in het kamp.

 


 

Woensdag 29 november 1944

 

Ook ogenschijnlijk rustige dagen worden onderbroken door voortdurende dreiging vanuit de lucht.

 

                                                        “Niets bijzonders. Alleen 2 uur luchtalarm.”

 

                                 “Dan zit je net bij de kachel en dan is het alarm. Jas aan en tas om mijn nek en de kou weer in.”

 

 

Zelfs momenten van rust en warmte worden abrupt verstoord. Honger, kou en dreiging blijven het dagelijks leven bepalen.

 


 

Donderdag 30 november 1944

 

De luchtalarmen blijven het ritme van de dagen bepalen.

 

                                          “Vanmiddag 1 1/2 uur alarm en vanavond nog eens 2 1/2 uur.”

 

           De onderbrekingen stapelen zich op. Rust en herstel worden steeds moeilijker, terwijl de dreiging voortdurend aanwezig blijft.

 

 

Vrijdag 1 december 1944

Tussen de schaarste door zijn kleine meevallers van grote betekenis.

 

                              “Bloedworst zonder bon gekregen en ’s avonds gebakken.”

 

                    “Als het op is hebben we nog maar een keertje luchtalarm van zes tot half acht.”

     

                                              "Er vallen weer een paar bommen

 

Een extra maaltijd brengt kortstondige verlichting, maar ook deze dag blijft overschaduwd door oorlog en gevaar.

 

 

Zaterdag 2 december 1944

 

Ook onder zware omstandigheden blijven gewone, alledaagse zorgen bestaan.

                 

                  “Vandaag weer op mijn bril uitgeweest. Hij is wel klaar maar er staan verkeerde glazen in.”

 

                 “Verder nog een spiegel, beker en zakdoekje gekocht.”

 

                “1 keer alarm.”

 

Tussen arbeid en dreiging door probeert Bender praktische zaken te regelen. Juist zulke kleine details laten zien hoe mensen hun waardigheid en normaliteit proberen vast te houden.

                                   

Een extra maaltijd brengt kortstondige verlichting, maar ook deze dag blijft overschaduwd door oorlog en gevaar.

 

 

Zondag 3 december 1944

 

Na een periode van ziekte brengt deze dag voor het eerst enige verlichting.

 

                          "Vandaag voor het eerst niet ziek. Dat is een opluchting.”

 

                   “Daar ben ik maar weer vlug vertrokken omdat het er een rotzooitje is.”

 

               "We eten nog wat water in de stad en gaan dan naar het lager en naar bed.”

 

Hoewel er even sprake is van herstel, blijven de omstandigheden sober en troosteloos. Zelfs feestelijke bijeenkomsten   bieden nauwelijks afleiding.

 

 

Maandag 4 december 1944

 

Praktische zorgen en voortdurende luchtalarmen blijven het dagelijks leven beheersen.

 

                                                                     “Vanmiddag een half uur alarm.”

 

                              “Vanavond naar opticien… dat kost me weer 40 pf voor de tram voor niets want de zaak is gesloten.”

 

                       

                                                               “Daarna van half acht tot 10 uur alarm.”

 

 

Zelfs eenvoudige zaken kosten tijd, geld en moeite. Intussen blijft de oorlog ieder ritme verstoren.

 

 

Dinsdag 5 december 1944

 

Op een dag die thuis met gezelligheid en traditie verbonden is, overheersen hier luchtalarmen en dreiging.

 

                     “’s Morgens van tien uur tot kwart over elf alarm… ’s avonds van half negen tot 10 uur.”

 

                                                          “Dan brengen ze nog een flinke surprise.”

 

                                                   “Ik probeer maar niet aan andere jaren te denken.”

 

De verwijzing naar Sinterklaas maakt het gemis voelbaar. Terwijl thuis herinneringen aan feestdagen bestaan, wordt deze avond beheerst door oorlog en heimwee.

 

 

 

Woensdag 6 december 1944

 

De dagen verlopen steeds vaker volgens hetzelfde patroon van werk en luchtalarm.

 

                     “Van half elf tot half twee alarm en ’s avonds van 7 uur tot kwart voor tien.”

 

                                                                  “Verder geen bijzonders.”

 

Juist deze nuchtere woorden laten zien hoe uitzonderlijke omstandigheden langzaam gewoon worden.         Dreiging raakt verweven met het dagelijks leven.

 

 

Donderdag 7 december 1944

 

Tussen de dagelijkse ontberingen door betekenen kleine successen veel.

 

                             “Niets bijzonders. ’s Avonds naar opticien. Eindelijk bril klaar.”

 

                                “Dat kost RM 5,75. Daar komt nog RM 2,40 bij voor de tram.”

 

                                                        “Nog een half uur in de kelder.”

 

De nieuwe bril is een bescheiden meevaller in een bestaan vol beperkingen. Tegelijk blijft ook deze dag eindigen onder dreiging van luchtaanvallen.

 

 

 

Vrijdag 8 december 1944

 

                                  “Alles normaal behalve dat we eens geen alarm hebben.”

 

Met droge humor beschrijft Bender hoe uitzonderlijke omstandigheden de nieuwe norm zijn geworden.                        Een dag zonder luchtalarm voelt inmiddels bijzonder.

 

 

Zaterdag 9 december 1944

De voortdurende honger blijft een van de zwaarste onderdelen van het kampbestaan.

“Wel krijgen we iedere zaterdagmiddag 1 witbroodje van 500 gram. Daar wachten we de hele week op, dus dat wordt niet oud.”

“Dan hoef ik over Zondagavond niets te zeggen. Dan krijgen we nooit eten.”

“Lekker is het niet maar daar letten we niet meer op.”

De maaltijden zijn schaars en ontoereikend. Voedsel bepaalt het ritme van de week en laat zien hoe laag de verwachtingen inmiddels zijn geworden.

Zondag 10 december 1944

 

Ook propaganda en valse beloften maken deel uit van het kampbestaan.

“Een S.S. man kwam vragen wie zin had om dienst te nemen bij de landwacht in Nederland. Goed eten, roken en naar Holland.”

“Toch zijn er nog twee gekken die zich opgeven.”

“Het is erg stil vandaag. Erg saai en prakkizeren.”

“Ik zal maar weer eens een kaart gaan schrijven, misschien dat er toch nog een doorkomt.”

Honger en heimwee worden gebruikt om mannen te verleiden. Tegelijk overheersen verveling, onzekerheid en het verlangen naar contact met huis.

 

Maandag 11 december 1944

 

Niets bijzonders vandaag. Alleen luchtalarm van half zeven tot half tien.”

De nuchtere toon onderstreept hoe zelfs urenlange alarmen inmiddels als vanzelfsprekend worden ervaren. Het uitzonderlijke is gewoon geworden.

 

Dinsdag 12 December 1944 --

 

Vanmiddag alarm van twaalf uur tot kwart voor een en vanavond van half zeven tot half negen. Ik heb mijn kousen gestopt. Daar had ik gelijk mer klanten voor. De meeste kunnen het niet. Nu ben ik de sigaar.

 

De alledaagse bezigheden lopen dwars door de oorlog heen. Terwijl de luchtalarmen het ritme van de dag blijven bepalen, gaat het gewone leven noodgedwongen verder. Het stoppen van kousen laat zien hoe schaars kleding en materialen inmiddels waren geworden. Dat anderen haar direct om hulp vragen, onderstreept hoe belangrijk zulke praktische vaardigheden in oorlogstijd werden. De slotzin — “Nu ben ik de sigaar” — verraadt tegelijk een vleugje humor én berusting: behulpzaam zijn betekende vaak meteen extra werk.

 

 

 

Woensdag 13 December 1944 -
 
Ik heb een voorgevoel dat we van de zomer weer thuis zijn. Dat is voor het eerst dat ik ook optimistisch ben. De eerste twee weken heb ik nogal in de put gezeten. Dat is nu gelukkig een beetje over.
 
 

Tussen alle onzekerheid klinkt hier voor het eerst voorzichtig hoop door. Na weken van somberheid en ontworteling ontstaat langzaam het gevoel dat terugkeer misschien toch mogelijk is. Juist die kleine omslag in gedachten is veelzeggend: in oorlogstijd kon hoop bijna net zo belangrijk worden als voedsel of veiligheid. De woorden laten zien hoe mensen zich, ondanks alles, probeerden vast te houden aan de gedachte aan thuis en een toekomst na de oorlog.

 

 

Donderdag 14 December 1944 -
 
Geen bijzonders. Maar weer een kaart geschreven.
 
 

De korte aantekening weerspiegelt de eentonigheid en het wachten die het dagelijks leven in oorlogstijd beheersten. Toch schuilt er achter het schrijven van “weer een kaart” iets belangrijks: contact houden met anderen gaf houvast. Een eenvoudige briefkaart kon een teken van leven zijn, een poging om verbonden te blijven met familie, vrienden of het thuisfront in een tijd waarin onzekerheid overal aanwezig was.

 

 

Vrijdag 15 December 1944 --
 
Vandaag alarm van half twaalf tot kwart voor een. Er worden flink wat bommen gegooid. We gaan om twee uur naar het lager. Er is geen stroom meer. Daar zitten we vanavond in het donker. Ineens is er weer een bombardement aan de gang zonder dat we er van te voren iets van gemerkt hebben. De sirenes werken ook niet. Als ik buiten kom zie ik overal de witte en blauwelichtflitsen van bommen en luchtmijnen. Ik weet niet meer hoe vlug ik door de bagger naar het loopgraafje kom. Daar zitten we weer van half zeven tot half acht.
 
 

De beschrijving maakt voelbaar hoe chaotisch en bedreigend de situatie inmiddels was geworden. Het ontbreken van stroom en het uitvallen van de sirenes vergrootten het gevoel van machteloosheid: het gevaar kon ieder moment onverwacht losbarsten. De lichtflitsen van bommen en luchtmijnen, zichtbaar in het donker, moeten een angstaanjagend beeld hebben gevormd. Tegelijk laat het haastige vluchten naar het loopgraafje zien hoe mensen voortdurend leefden tussen routine en paniek — altijd voorbereid om binnen enkele seconden dekking te zoeken.

 

 

 

Zaterdag 16 December 1944 --
 
Gewone tijd naar fabriek. De meesten worden weer naar huis gestuurd. Maar als het dag wordt moet ik aan de gang tot twee uur. We krijgen ook geld vandaag. Er gaat 12 RM af voor ondergoed en ik betaal 1o RM af van mijn schuld. Wat ik over hou moet ik apart houden voor de volgende maand eten. Ik koop ook nog mosselenfleisch. Dat zijn mosselen in een soort mosterd.. Dat spul is haast niet te eten zo sterk.Maar ik moet toch wat hebben voor de Zaterdag en Zondagavond. Er is nog geen stroom, dus we zitten vanavond weer in het donker.
 
 

De notitie laat zien hoe het dagelijks leven zich in een bijna mechanisch ritme voortzet, ondanks de voortdurende ontwrichting door oorlog en gebrek aan voorzieningen. Werk gaat deels door, maar wordt telkens onderbroken en onzeker. Het ontvangen van geld en het meteen verdelen ervan onderstreept hoe strak het bestaan financieel en materieel gereguleerd is geworden: alles is gericht op overleven en de komende dagen doorkomen.

Ook de beschrijving van het eten — “mosselenfleisch” dat nauwelijks te verdragen is — benadrukt de schaarste en het gebrek aan keuze. Toch wordt het zonder veel klagen geaccepteerd, simpelweg omdat er iets gegeten moet worden. Het ontbreken van stroom maakt het beeld compleet: een avond in het donker waarin zelfs de meest basale voorzieningen ontbreken, en het leven zich terugtrekt tot het noodzakelijke minimum.

 

 

 

Zondag 17 December 1944. -
 
Vandaag niets bijzonders. De zondag is erg lang en vervelend. Gelukkig gaat vanavond het licht weer aan. Ik ga nog maar even een kaart schrijven en dan weer naar bed want te eten heb ik niet meer.
 
 

De aantekening ademt vermoeidheid en leegte. De zondag, normaal een dag van rust of samenzijn, lijkt hier vooral eindeloos en troosteloos voorbij te kruipen. Dat het licht eindelijk weer aangaat, vormt een klein maar betekenisvol lichtpuntje in een verder sombere werkelijkheid. Tegelijk maakt de laatste zin duidelijk hoe nijpend de omstandigheden zijn geworden: er is geen eten meer, waardoor slapen bijna een manier wordt om de honger tijdelijk te vergeten. Zelfs het schrijven van een kaart blijft ondertussen een houvast — een laatste verbinding met de buitenwereld.

 

 

Maandag 18 December 1944 ---
 
Dit schrijf ik donderdag. Maandag was ik ziek, Dhiarree. Als je hier ziek bent moet je naar den dokter. Wat je scheelt geeft niet maar als je geen koorts hebt moet je aan het werk.Als je in bed blijft en de lagerführer komt op den kamer dan schopt hij je de deur wel uit. 's Middags alarm. Ik blijf in bed. Maar als er wat in lucht zit sukkel ik toch maar naar de schuilkelder.
 
 

De aantekening laat de harde realiteit van ziekte in oorlogstijd zien. Er is nauwelijks ruimte om echt ziek te zijn: medische zorg lijkt vooral gericht op inzetbaarheid, niet op herstel. De regels worden streng en onpersoonlijk toegepast, waarbij zelfs lichamelijke klachten weinig gewicht hebben als er geen koorts wordt vastgesteld.

Tegelijk wordt duidelijk hoe angst voor gevaar en autoriteit door elkaar lopen. Zelfs in bed blijven is geen echte rust, want bij luchtgevaar moet toch worden geschuild. De situatie laat zien hoe het dagelijks leven volledig wordt bepaald door externe dwang — van ziekte en honger tot alarm en bevel — waarbij de eigen lichamelijke toestand nauwelijks nog invloed heeft op wat wel of niet kan.

 

 

 

Dinsdag 19 December 1944 ---
 
Vanmorgen naar den dokter. Dat gaat makkelijk. Wat mankeer je ? Dat vertelde ik. Mooi , hier is een recept voor norit en dan maar weer werken. Het schikt dat we niet veel kunnen doen want sinds de aanval van vorige week is er geen sterkstroom, dus draaien de machines niet en kijken we maar een beetje rond.
 
 

De toon van deze dag laat op scherpe wijze zien hoe beperkt de medische zorg in oorlogstijd functioneert. De gang naar de dokter is bijna routinematig geworden en leidt niet tot herstel of rust, maar tot een standaardoplossing zonder veel aandacht voor de ernst van de klachten. De reactie van de arts benadrukt vooral het doorzetten van het werk, ongeacht de gezondheidstoestand.

Tegelijk schetst de situatie op het werk een beeld van stilstand in plaats van productie: door het wegvallen van stroom ligt alles grotendeels stil. Dat zorgt voor een merkwaardige tegenstelling — lichamelijke klachten worden genegeerd om te kunnen werken, terwijl er feitelijk nauwelijks gewerkt kan worden. Het dagelijkse bestaan lijkt daarmee te zweven tussen verplichting en zinloos wachten.

 

 

 

Woensdag 20 December 1944 ---
 
Gewoon op mijn slofjes gewerkt en naar de WC gelopen
 
 

Een uiterst sobere notitie die veel zegt met heel weinig woorden. In de minimale beschrijving klinkt de versoberde werkelijkheid van het dagelijks leven door: comfort en normale werkomstandigheden zijn verdwenen, waardoor zelfs iets kleins als “op mijn slofjes werken” betekenis krijgt.

Het lopen naar de WC wordt genoemd alsof het een noemenswaardige handeling is, wat laat zien hoe het leven zich heeft teruggebracht tot het meest basale niveau. In een wereld waar energie, warmte en gemak ontbreken, wordt het gewone al snel iets bijzonders.

 

 

 

Donderdag 21 December 1944 ---
 
Zo m'n dagboek is weer bij. De fabriek draait weer en ik voel me weer gezond. Ik hoop hier nooit meer ziek te worden. Want dat is hopeloos. Vandaag wordt bekend gemaakt wat we voor extra met de kerstmis krijgen. Twee eieren , een half pond worst en een koek. Dat zou heel mooi zijn als het extra was. Maar we krijgen geen wit brood en Zaterdag, Zondag, Maandag en Dinsdag geen avondeten. Dus we komen dik tekort aan ons extraatje.
 
 

De toon van deze dag laat een voorzichtige opluchting zien, maar die wordt direct weer gerelativeerd door de harde realiteit van de rantsoenen. Herstel en hernieuwde gezondheid geven even het gevoel dat het gewone leven terugkeert, maar dat blijkt kwetsbaar en tijdelijk.

De aankondiging van het “kerstextraatje” illustreert hoe schraal en tegelijkertijd ongelijk verdeeld voedselvoorziening inmiddels is geworden: zelfs iets dat als extra wordt gepresenteerd, kan het structurele tekort niet compenseren. De opsomming van wat ontbreekt — wit brood en meerdere avonden zonder eten — benadrukt hoe weinig het dagelijks bestaan eigenlijk nog dekt. Zo blijft zelfs een moment dat hoopvol lijkt, direct verbonden aan tekort en onzekerheid.

 

 

 

Vrijdag 22 december 1944 ---
 
Vanavond onder de douche. Ik heb me net uitgekleed en daar is het vol alarm. Vlug wassen. Ik ben net klaar als het licht uitgaat. Nu in het pikdonker aankleden en naar de schuilkelder. Kwart over zeven is het weer veilig. Naar het lager en daar nog drie paar sokken gestopt. Alleen de mijne niet. Daar heb ik vandaag een lap voor meegebrachtom er onder te naien. Met sokken stoppen verdien ik nog een pijp tabak. Dat smaakt heerlijk. Het vriest buiten dat het kraakt.
 
 

De gebeurtenis laat zien hoe zelfs de meest alledaagse momenten, zoals douchen, voortdurend onderbroken worden door het onvoorspelbare gevaar van alarmen. Wat normaal een moment van rust en hygiëne zou zijn, verandert in een haastige handeling in angstige omstandigheden. Het aankleden in het donker en het moeten vluchten naar de schuilkelder onderstrepen hoe kwetsbaar en ontregeld het dagelijkse leven is geworden.

Toch keert er daarna weer iets van routine terug: werken, sokken stoppen en kleine vergoedingen zoals tabak die een zekere waarde krijgen in een tijd van schaarste. Het detail van het vriezende weer versterkt de sfeer van ontbering nog verder. Tussen kou, duisternis en alarmen blijft het leven toch doorgaan, stap voor stap, in een wereld die weinig ruimte laat voor comfort of zekerheid.

 

 

 

Zaterdag 23 december 1944 ---
 
Het is vannacht flink koud geweest. Dat heb ik op bed gevoeld. We werken vandaag tot vijf uur. Verder niets.
 
 

De aantekening benadrukt opnieuw hoe teruggebracht het leven is tot de meest basale ervaringen. De kou dringt zelfs door tot in de slaap, wat laat zien hoe weinig bescherming er nog is tegen de omstandigheden. Het werk gaat, ondanks alles, door tot laat in de middag, maar zonder verdere bijzonderheden of afleiding.

Juist die eenvoud van de laatste zin — “Verder niets” — maakt duidelijk hoe eentonig en uitgekleed het bestaan inmiddels is geworden. In een wereld van schaarste en ontregeling krijgt het ontbreken van gebeurtenissen bijna dezelfde betekenis als een gebeurtenis zelf: er is even niets dat de dag onderbreekt of verlicht.

 

 

Zondag 24 December 1944 -

 

Om negen uur brood halen. We krijgen een heel brooddat is voor vier dagen. Ook worst en boter is daarbij. Om elf uur gaan we ons "extraatje" halen. Dat is 1 koek , twee eieren, een half pond worst en drie broodjes. Dat is in de plaats van twee keer avondeten en een witbrood. Maar ik maak er maar een goede dag van. De koek is op, twee broodjes , een ei en de helft van de worst is op. Het is nu half acht. Maar honger heb ik niet meer ( hoe bestaat het ). Bij de koek en het ei moest ik telkens aan jou denken. Je had hem in stukken gesneden en over de kerstdagen verdeeld. Nu ga ik nog maar een kaart schrijven en als er geen alarm komt naar bed.

 

Deze kerstavond laat op indringende wijze zien hoe schaars voedsel inmiddels is geworden en hoeveel betekenis kleine extra’s daardoor krijgen. Het zorgvuldig opsommen van brood, worst, eieren en koek maakt duidelijk dat eten niet langer vanzelfsprekend is, maar iets waar voortdurend over wordt nagedacht en gerekend.

Tegelijk klinkt er een ontroerende gedachte aan thuis door. De opmerking dat “jij” de koek in stukjes zou hebben verdeeld over de kerstdagen laat zien hoe zuinigheid en zorgzaamheid in het gezin vanzelfsprekend waren geworden. Juist dat persoonlijke detail geeft het fragment emotionele kracht: midden in de honger en onzekerheid blijft de verbondenheid met thuis en familie aanwezig.

Dat de schrijver afsluit met “honger heb ik niet meer (hoe bestaat het)” onderstreept bovendien hoe uitzonderlijk het was om zich even verzadigd te voelen. Zelfs op kerstavond blijft de hoop bescheiden: nog een kaart schrijven, en dan slapen — als er tenminste geen alarm komt.

 

 

Maandag 25 December 1944 ----
 
Zo, de eerste Kerstdag is voorbij. Dat is wel mee gevallen. Het is prachtig weer geweest. Ik heb vanmiddag met een van de jongens een eind gewandeld. De omgeving is hier prachtig. Maar ik loop liever langs de Smeetlandsche dijk of op de 's Gravenweg. Op de terugweg hebben we zeven bevroren aardappelen gevonden. Die heb ik vanavond gekookt en opgegeten. Ze smaakten nog lekker ook met een beetje zout. We zijn al ver afgezakt. In Rotterdam hadden we ze zeker weggegooid. Als ik dit lees wanneer we genoeg hebben schaam ik me misschien nog. Van kousen repareren komt niets meer vandaag.
 
 

De aantekening laat een opvallende mengeling zien van berusting, heimwee en zelfreflectie. Ondanks de oorlogsomstandigheden wordt het mooie weer en de wandeling nog bewust opgemerkt, alsof de natuur even een korte ontsnapping biedt aan de dagelijkse zorgen. Toch overheerst het verlangen naar huis: bekende plekken als de Smeetlandsche dijk en de ’s Gravenweg blijken waardevoller dan het fraaie landschap waarin men zich nu bevindt.

Het vinden en opeten van bevroren aardappelen maakt schrijnend duidelijk hoe ver de omstandigheden zijn veranderd. Wat vroeger waardeloos leek, wordt nu met dankbaarheid gegeten. Juist de opmerking dat men zich daar later misschien voor zou schamen, toont een scherp besef van hoe oorlog normen en gewoonten langzaam verschuift. Honger verandert niet alleen het lichaam, maar ook de manier waarop mensen naar gewone dingen kijken.

 

Dinsdag 26 december 1944 ---

 

Vanmorgen alleen wezen wandelen.Het is weer prachtig weer. Ik was van plan om vanmiddag kousen te stoppen , maar dat gaat ook niet doorwant na de Kerstmaaltijd ( koolbladeren in het water ) zijn we met drie man weer gaan lopen. Onderweg komen we een Hollander tegen , een kapper uit Hannover. Als we zo over het eten praten krijgen we van hem wat koekjes en kaak. Dat gaat er best in na het lawaaisausje van vanmiddag. We komen om 6 uur in het lager. Daar eet ik mijn brood op, ook mijn portie van morgen. Dat zal dan wel honger worden. Maar dat zien we morgen wel weer. Nu ga ik nog een kaart schrijven en dan naar bed.

 

De tweede kerstdag laat zien hoe sterk het dagelijks leven inmiddels wordt beheerst door honger en improvisatie. Zelfs een “kerstmaaltijd” blijkt nauwelijks meer dan koolbladeren in water, wat de schrijnende armoede van die periode pijnlijk blootlegt. De spottende benaming “lawaaisausje” verraadt tegelijk humor als overlevingsmechanisme: spot en zelfrelativering helpen om de werkelijkheid draaglijk te houden.

De ontmoeting met de Hollandse kapper krijgt daardoor extra betekenis. Een paar koekjes en wat kaak zijn geen luxe, maar een onverwacht moment van menselijkheid en verbondenheid. Zulke kleine gebaren konden in oorlogstijd een enorme waarde hebben.

Ook de laatste regels zijn veelzeggend. Het brood voor de volgende dag alvast opeten laat zien hoe moeilijk het is om voortdurend honger te beheersen. Toch eindigt de dag opnieuw met dezelfde berustende houding die in veel fragmenten terugkeert: morgen zien we wel weer verder.

 
 

 

Woensdag 27 December 1944 -----
 
Weer eerst een stukje schrijven. Er schieten me telkens weer van die dingen te binnen. B.v. de verjaardag van de jongens toen ik wegging. Weet je nog, dat ik een dag van te voren eerst mijn kopje en 's avonds een bord brak en dat jij zei : "Nu het derde ongeluk nog". Nou dat hadden we vlug genoeg. Maar ik zal maar ophouden want anders schiet er nog meer in m'n gedachten. Dat pannetje gort b.v. wat klaar stond. Ik wou dat ik het had.
 
 

In deze aantekening komt het heimwee sterker naar voren dan de gebeurtenissen van de dag zelf. Kleine herinneringen aan thuis — een verjaardag, gebroken servies, een opmerking van vroeger — krijgen in de afstand en onzekerheid van oorlogstijd een bijna pijnlijke betekenis. Het “derde ongeluk” blijkt achteraf de gedwongen scheiding en ellende van de oorlog te zijn geweest.

Vooral de laatste zin maakt diepe indruk. Het verlangen naar “dat pannetje gort” gaat niet alleen over eten, maar over warmte, huiselijkheid en het gewone leven dat abrupt werd afgebroken. Herinneringen aan eenvoudige dagelijkse dingen worden kostbare houvasten in een bestaan dat steeds meer draait om gemis en overleven.

 
 

 

 

Donderdag 28 Deember 1944 ---
 
Vandaag niets bijzonders. Alleen van zes tot acht uur luchtalarm.
 
 

De korte notitie laat zien hoezeer luchtalarm inmiddels onderdeel van het dagelijks leven is geworden. Twee uur alarm wordt bijna terloops vermeld, alsof het niet langer iets uitzonderlijks is. Juist die nuchtere toon maakt duidelijk hoe mensen gewend raakten aan voortdurende dreiging en onderbreking.

Tegelijk zegt de opmerking “niets bijzonders” veel over de werkelijkheid van die periode: een avond vol luchtalarm gold kennelijk al niet meer als bijzonder, maar als een gewone dag in oorlogstijd.

 
 

 

 

Vrijdag 29 december 1944 ----
 
 
Precies als gisteren alleen alarm van kwart voor zes tot kwart voor acht. Er worden weer een hele partij bommen op de stad gelost.
 
 

De herhaling van bijna identieke dagen benadrukt hoe monotoon én dreigend het leven in oorlogstijd kon zijn. Het luchtalarm volgt hetzelfde patroon als de dag ervoor, waardoor gevaar langzaam onderdeel wordt van de dagelijkse routine. Toch maakt de toevoeging dat er “een hele partij bommen op de stad” wordt gelost duidelijk dat achter die schijnbare gewoonte voortdurend vernietiging schuilgaat.

De sobere manier waarop dit wordt beschreven versterkt juist de impact: er klinkt geen paniek meer door, maar eerder vermoeidheid en gewenning aan geweld dat ondertussen onafgebroken doorgaat.

 
 

Zaterdag 30 December 1944 -----

Vanavond van zes tot acht alarm. Weer een vracht bommen. Zo gaat het hier op de laatste dagen van het jaar. Ik heb op de fabriek een brandwacht overgenomen. Daar heb ik zes sigaretten voor gehad. Wat een rijkdom. Dat er vanavond nog maar een overkomt omdat we al die tijd niets gehad hebben. Die eene bewaar ik voor morgenochtend. Nu moet ik me morgenavond op de fabriek in de cantine melden. Daar krijg ik eten en dan kan ik weer naar het lager. Als er alarm komt moet ik mij bij de bunker melden. Als alles goed gaat meld ik me Maandag om 7 uur weer af en krijg ik nog acht mark op de koop toe. Gefeliciteerd Riek.

 

De laatste dagen van 1944 worden hier getekend door een bijna onafgebroken sfeer van dreiging. Het luchtalarm en de bommen lijken inmiddels een vast onderdeel van het bestaan geworden, alsof het oude jaar alleen nog eindigt onder het geluid van oorlog.

Tegelijk krijgen kleine dingen een enorme waarde. Zes sigaretten worden omschreven als een rijkdom, wat veel zegt over de schaarste waarin men leeft. Dat er bewust één sigaret voor de volgende ochtend wordt bewaard, laat zien hoe zorgvuldig en zuinig met ieder klein bezit wordt omgegaan.

De beschrijving van de brandwacht maakt bovendien duidelijk hoe het dagelijks leven volledig onder controle van de oorlog staat: eten, werk, slapen en schuilen worden bepaald door bevelen, alarmen en onzekerheid. De slotwoorden — “Gefeliciteerd Riek” — vormen een ontroerend contrast met de rest van de tekst. Midden tussen bommen, bunkerwacht en schaarste blijft er toch aandacht voor een verjaardag en voor de band met thuis.

 

Zondag 31 December 1944 ----

 

Daar was ik gisteren haast Riek vergeten. Zo we hebben vanmiddag een uur alarm gehad. Er zijn weer veel bommen gevallen. Als ik me ga melden dan is het gelijk alarm. Zo begint mijn brandwachtje goed. Als het alarm voorbij is dan krijg ik warm eten. Het is water wat ze ergens van de aardappelen afgegoten hebben. Daarna ga ik naar het lager. Daar wachten we achter de kachel twaalf uur maar af. We zitten nog met vijf man. Een horloge hebben we geleend van iemand die al op bed ligt.----- Het is nu twaalf uur. Schat een heel goed Nieuwjaar en dat we dit jaar maar weer gauw samen mogen zijn. Ook de anderen Pa , Moe, Va, Moe en broers en zussen wens ik in gedachten maar een gelukkig 1945. Nu nemen we nog een lekkere beker water en gaan naar bed.

 

De laatste dag van 1944 brengt een indringend beeld van oorlog, gemis en hoop tegelijk. Terwijl opnieuw bommen vallen en luchtalarm het ritme van de avond bepaalt, proberen de mannen toch samen het nieuwe jaar af te wachten rond een kachel. Het geleende horloge om twaalf uur te kunnen meemaken laat zien hoe belangrijk dat moment, ondanks alles, nog altijd is.

De beschrijving van het eten — afgegoten aardappelwater — maakt de armoede en ontberingen van die winter bijna tastbaar. Toch overheerst aan het einde niet de bitterheid, maar het verlangen naar hereniging en een beter jaar. De nieuwjaarswens aan “Schat” en de familie thuis geeft het fragment een diepe menselijke warmte. Midden in de kou, schaarste en onzekerheid blijft de hoop bestaan dat 1945 het jaar zal worden waarin men elkaar terugziet.

 

1 Januari 1945

De eerste dag van 1945 laat zien hoe oorlog en dagelijks leven volledig met elkaar verweven zijn geraakt. Zelfs op nieuwjaarsdag draait alles om slapen, eten, alarmen en overleven. De opmerking dat een uur extra slaap misschien meer waard is dan acht mark toont hoe uitgeput de mensen inmiddels moeten zijn geweest.

Tegelijk klinkt er steeds weer menselijke warmte door in kleine ontmoetingen. Het bezoek aan het schip en het praatje in de warme roef vormen even een moment van rust en herkenning in een harde werkelijkheid. Een paar stukken gebrande suiker en wat aardappelbonnen krijgen daardoor een enorme betekenis.

De dreiging van de luchtaanvallen blijft echter voortdurend aanwezig. De beschrijving van de vliegtuigen, lichtkogels en het haastig zoeken naar een schuilplaats maakt de spanning van zulke momenten bijna voelbaar. Opvallend is ook de nuchtere constatering dat de bommen vaak al vallen terwijl men nog onderweg is naar veiligheid — alsof zelfs dat een bekend patroon is geworden.

Toch eindigt de dag opnieuw zonder grote woorden: te laat terug in het lager, geluk dat men niet gestraft wordt, en dan zo snel mogelijk naar bed. Zelfs de eerste dag van een nieuw jaar blijft volledig beheerst door onzekerheid, vermoeidheid en de voortdurende hoop de volgende dag weer door te komen.

 

Dinsdag 2 Januari 1945 ----

Vandaag niet veel bijzonders. Het frühstuck smaakt heerlijk. Ik heb op mijn arm een pracht van een steenpuist. Daar ga ik mee naar den dokter. Die smeert er zwarte zalf op. Vanavond hebben we alarm van zes tot half negen. Dan gaan we weer naar bed. O ja, ik ben ook met mijn aardappelen bonnen naar de winkel geweest. Dr zijn niet genoeg aardappelen. Ik krijg 2 kg zonder bon en een witte kool. Zo heb ik nog een lekker prakje.

 

De notitie toont hoe het dagelijks leven steeds verder wordt teruggebracht tot eenvoudige zorgen: eten, gezondheid en het doorkomen van de dag. Een ontbijt dat “heerlijk” smaakt krijgt daardoor een bijzondere betekenis, juist omdat voedsel schaars en eentonig is geworden.

Ook lichamelijke klachten worden opvallend nuchter beschreven. De steenpuist lijkt bijna iets alledaags, terwijl de summiere behandeling met zwarte zalf opnieuw laat zien hoe beperkt de medische zorg in deze omstandigheden is. Grote aandacht of rust is er niet — het leven moet gewoon doorgaan.

Daarnaast blijft de voortdurende dreiging van luchtalarm aanwezig als achtergrond van iedere dag. Toch eindigt het fragment niet somber, maar met tevredenheid over aardappelen en een witte kool. Het vooruitzicht van “een lekker prakje” laat zien hoe kleine dingen in oorlogstijd een gevoel van comfort en huiselijkheid konden geven.

 

Woensdag 3 Januari 1945 ---

 

Vanmorgen weer naar de pil geweest met mijn arm.Er komt zoveel vuil uit dat er een gat inzit waar de top van mijn pink makkelijk in verdwijnen kan. Het eten is weer dun vandaag , twee keer watersoep.Maar in het lagereet ik weer aardappelen met witte kool. Het is nu negen uur en geen alarm. Ik maak nog maar aardappelen klaar voor morgen en ga naar bed.

 

De beschrijving van de ontstoken arm maakt duidelijk hoe zwaar lichamelijke ongemakken konden wegen in oorlogsomstandigheden. De wond klinkt ernstig en pijnlijk, maar wordt toch bijna zakelijk beschreven, alsof er nauwelijks ruimte is om erbij stil te staan. Het dagelijkse ritme van dokter, werk, eten en slapen gaat onverminderd door.

Ook het voortdurende tekort aan voedsel blijft voelbaar. “Watersoep” benadrukt hoe weinig voedzaam de maaltijden vaak waren, terwijl aardappelen met witte kool in het lager juist als een verbetering worden ervaren. Kleine verschillen in eten bepalen inmiddels sterk hoe een dag beleefd wordt.

Opvallend is daarnaast de opluchting dat het om negen uur nog rustig is gebleven. Een avond zonder alarm lijkt bijna een zeldzaam geluksmoment. Zelfs het klaarmaken van aardappelen voor de volgende dag laat zien hoe mensen voortdurend vooruit moesten denken om de komende uren of dagen door te komen.

 

 

De beschrijving van de ontstoken arm maakt duidelijk hoe zwaar lichamelijke ongemakken konden wegen in oorlogsomstandigheden. De wond klinkt ernstig en pijnlijk, maar wordt toch bijna zakelijk beschreven, alsof er nauwelijks ruimte is om erbij stil te staan. Het dagelijkse ritme van dokter, werk, eten en slapen gaat onverminderd door.

Ook het voortdurende tekort aan voedsel blijft voelbaar. “Watersoep” benadrukt hoe weinig voedzaam de maaltijden vaak waren, terwijl aardappelen met witte kool in het lager juist als een verbetering worden ervaren. Kleine verschillen in eten bepalen inmiddels sterk hoe een dag beleefd wordt.

Opvallend is daarnaast de opluchting dat het om negen uur nog rustig is gebleven. Een avond zonder alarm lijkt bijna een zeldzaam geluksmoment. Zelfs het klaarmaken van aardappelen voor de volgende dag laat zien hoe mensen voortdurend vooruit moesten denken om de komende uren of dagen door te komen.

 

Donderdag 4 Januari 1945 ----

Vanmorgen heb ik weer eens een pijpje tabak gekregen. Dat is iets om apart op te schrijven. Er zijn er hier in andere lagers die tabak en cigaretten gehad hebben. wanBij ons gaat dat nog steeds niet. Vanmiddag hebben we weer eens een machtig middagmaal. Een bord water met stukjes knol. Vanavond komen we om half zes in het lager en om zes uur is het alarm. Ik blijf maar in het lager want als je naar de bunker gaat, maar daar wordt je uitgejaagd, dan sta je buiten als het feest begint. Om half zeven is het weer zo. Bommen genoeg en in de stad brandt het flink. Het blijft nog een benauwd half uurtje. Om 8 uur is het weer afgelopen. Om half tien ga ik naar bed. Om elf uur word ik wakker. De kamer is leeg. Het is weer lucht alarm. Ik val weer in slaap en merk niets meer.

 

De aantekening laat zien hoe kleine dingen in oorlogstijd een buitengewone waarde krijgen. Een pijpje tabak wordt “iets om apart op te schrijven”, wat duidelijk maakt hoe schaars en kostbaar zulke kleine vormen van ontspanning inmiddels zijn geworden. Tegelijk klinkt er vergelijking door met andere lagers, waar men blijkbaar iets beter wordt voorzien — ook dat hield mensen bezig.

De beschrijving van het eten benadrukt opnieuw de voortdurende schaarste. Een “bord water met stukjes knol” wordt spottend een “machtig middagmaal” genoemd, een vorm van wrange humor die vaker terugkeert in het dagboek. Humor lijkt een manier om de harde werkelijkheid enigszins draaglijk te maken.

Het meest opvallend is echter de houding tegenover het luchtalarm. De keuze om niet meer naar de bunker te gaan laat zien hoe vermoeid en afgestompt men door de voortdurende dreiging raakt. Angst maakt langzaam plaats voor uitputting en berusting. Dat de schrijver tijdens een nieuw alarm gewoon weer in slaap valt terwijl de kamer leegloopt, onderstreept hoezeer oorlogsomstandigheden uiteindelijk zelfs het gevoel van gevaar kunnen verdoven.

 

Vrijdag 5 Januari 1945 ----

 

Er is vanacht niets gebeurd. Maar toen we vanmorgen naar de fabriek gingen brandde het in de stad nog. We hebben vandaag nog een klein alarmpje maar er gebeurt niets. Vanavond moet degene waar ik van de week brandwacht van overgenomen heb bij de brandweercommandant komen. Daar krijgt hij de acht mark die ik Zondag niet gehad heb. Daar bof ik weer bij.

 

De notitie laat zien hoe de gevolgen van bombardementen nog lang zichtbaar blijven in het dagelijkse leven. Hoewel de nacht rustig is verlopen, brandt de stad de volgende ochtend nog steeds. Het beeld van smeulende verwoesting op weg naar het werk maakt duidelijk hoe dicht oorlog en dagelijks bestaan voortdurend naast elkaar liggen.

Tegelijk klinkt opnieuw die kenmerkende nuchterheid door. Een luchtalarm zonder gevolgen wordt al een “klein alarmpje” genoemd, alsof gevaar pas echt telt wanneer er bommen vallen. Ook de opmerking over de acht mark toont hoe belangrijk kleine financiële meevallers konden zijn in een tijd van schaarste. De ironische slotzin — “Daar bof ik weer bij” — geeft het fragment een bijna luchtige toon, ondanks de omstandigheden waarin het geschreven werd.

 

 

Zaterdag 6 Januari 1945 ---
 
Vandaag werken we tot vijf uur. Als we klaar zijn gaan we nog haringsalade halen. Dat is rode kool, peen en stukjes vis. Het is erg zout maar verder smaakt het wel. Ik prak het door de aardappelen die ik nog heb en daar doe ik geen zout in.Dan smaakt het best. Vanavond hebben we nog het gewone uurtje alarm en verder geen bijzonders.
 
 

De aantekening laat zien hoe inventief mensen moesten worden om met weinig voedsel toch iets eetbaars te maken. Zelfs eenvoudige ingrediënten als rode kool, peen en wat stukjes vis worden zorgvuldig gecombineerd om een maaltijd smakelijker en voedzamer te maken. Het voortdurend nadenken over smaak, zout en aardappelen toont hoe centraal eten inmiddels in het dagelijks leven staat.

Opvallend is ook hoe luchtalarm bijna routine is geworden. Het wordt omschreven als “het gewone uurtje alarm”, alsof een avond zonder dreiging inmiddels uitzonderlijker zou zijn dan mét alarm. Juist die terloopse manier van schrijven maakt duidelijk hoe sterk mensen zich aan de voortdurende oorlogsomstandigheden hadden aangepast.

 

Zondag 7 Januari 1945 -----

Zo weer Zondag. We werken tot half een. Dan eten en weer naar het lager. Het is fink koud. We krijgen weer sneeuw. Brood heb ik niet meer. Maar er staat nog een pannetje aardappelen en wat salade. Dat kook ik en het smaakt me weer heerlijk. Dit is als ik het goed bekijk is dit de negende Zondag dat ik van huis af ben. Achteraf bekeken is die tijd nog vlug omgegaan.De tijd dat we in Kampen de schuit in en uitgeschopt werden is ver weg. Ik weet nog steeds niets van Rotterdam. Ik heb nog een envelop van de feldpost. Die zal ik vandaag beschrijven en naar huis sturen---- Zo dat is gebeurd. Nu ga ik slapen. Welterusten schat.

 

De zondag wordt hier niet gekenmerkt door rust, maar door kou, honger en het tellen van de weken sinds het vertrek van huis. Toch klinkt er opvallend weinig wanhoop door. Integendeel: de schrijver kijkt terug en beseft dat de tijd, ondanks alles, sneller voorbij is gegaan dan gedacht.

Juist de kleine details geven dit fragment kracht. Een pannetje aardappelen en wat salade worden niet alleen gegeten, maar bewust gewaardeerd. En tussen de dagelijkse zorgen door duikt ineens een herinnering op aan Kampen, waar het vertrek en de vernederingen nog vers in het geheugen liggen. Het verleden lijkt tegelijk dichtbij en ver weg.

De laatste regels maken het fragment bijzonder persoonlijk. Het schrijven van een veldpostbrief is meer dan correspondentie alleen — het is een poging om verbonden te blijven met thuis, terwijl er nog altijd geen nieuws uit Rotterdam is. De eenvoudige afsluiting, “Welterusten schat”, doorbreekt even de harde werkelijkheid van oorlog en dwangarbeid.